basiscursus kunstgeschiedenis The Story of Art – Tilburg University

De eerste dinsdagochtend in september start wederom een basiscursus kunstgeschiedenis The Story of Art, locatie Tilburg University. Reis je met mij mee? Door eeuwen kunst, samen genieten van de prachtige creaties van mannelijke én vrouwelijke kunstenaars? Deze cursus is een ‘must’ voor iedere kunstliefhebber, zowel voor beginners als gevorderden.

Bekijk onderstaande trailer en ontdek in 2 minuten enkele kunstschatten die de revue zullen passeren.

Meer informatie of aanmelden? Klik op onderstaande foto.

basiscursus kg

De schilder Renoir en Wereld Reuma dag

Vandaag, 12 oktober, is het Wereld Reuma dag en moet ik onherroepelijk denken aan de woorden van de impressionistische schilder Auguste Renoir (1841-1919): voor mij moet een schilderij iets liefdevols, verheugends en moois, ja iets moois zijn. Er zijn al genoeg vervelende dingen op de wereld. Er is geen reden om er nog meer te maken!

Renoir, Les Grands Boulevards, 1875

De schilderijen van Renoir behoren tot de meest feestelijke en opgewekte werken uit de negentiende eeuw, een lust voor het oog. Nooit heeft hij zijn publiek willen choqueren of deelgenoot maken van pijn, destructie en haat. Hij hield van het leven en toonde de wereld van haar vrolijke en mooie kant. De aarde is het Paradijs van goden en godinnen……..en juist dat is wat ik graag wil schilderen, aldus de impressionistische schilder Renoir.

Auguste_Renoir_-_The_Swing_-_Google_Art_Project Renoir reuma

Wat weinig mensen weten, is het feit dat deze altijd optimistische en vrolijke man een groot deel van zijn leven reuma heeft gehad, om precies te zijn reumatoïde artritis. Zijn grote passie schilderen wilde hij echter niet opgeven. Daarom liet hij penselen met zwachtels aan zijn polsen binden om door te gaan met het creëren van een Feest van Kleur! Er is immers al ellende genoeg in de wereld waarom deze ook nog op het doek zetten? Door mooie en liefdevolle schilderijen te maken, wilde Renoir de mensheid positieve energie meegeven en probeerde hij zijn eigen pijn niet te voelen. Niet alleen zijn impressionistische werken, ook zijn doorzettingsvermogen en kracht om onder de meest erbarmelijke omstandigheden een vrolijk schilderij te schilderen, maken Renoir voor mij onsterfelijk.

12 oktober 2015
© Karin Haanappel

 

 

De wereldtentoonstellingen van 1889 en 1900

Dit artikel is verschenen in En Route magazine (winternummer 2014).

Porte d'Expo 1889

De Eiffeltoren bestaat dit jaar 125 jaar. Gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1889 zou het gevaarte eigenlijk maar twintig jaar overeind blijven, om vervolgens plaats te maken voor iets nieuws. Maar ‘La dame de fer’ bleek zeer geschikt als communicatietoren. Ze kreeg een antenne en mocht blijven staan. Inmiddels is zij hét symbool van Parijs. Veel andere bouwwerken van de ‘Expositions Universelles’ van 1889 en 1900 moesten wél wijken voor de moderniteit. Karin Haanappel maakte een reportage over deze verdwenen kunstschatten voor En Route.

In 1889 herdacht Frankrijk de 100e verjaardag van de bestorming van de Bastille, een gebeurtenis die beschouwd wordt als het startmoment van de Franse Revolutie. In de tussenliggende honderd jaar had Frankrijk heel wat politieke schommelingen doorgemaakt. Sinds 1871 was de Derde Republiek van kracht en tijdens de Exposition Universelle van 1889 moest deze Republiek, met een knipoog naar 14 juli 1789, uitbundig gevierd worden. De Franse Staat liet dan ook een monumentale toegangspoort bouwen die de triomf van de republiek moest symboliseren. De ontwerper van deze toegangspoort was Gustave Eiffel. Twee jaar eerder had hij de prijsvraag gewonnen die uitgeschreven was door het ministerie van handel en industrie en was zijn ontwerp uitgekozen om gerealiseerd te worden. Niet alleen voor die paar maanden van de wereldtentoonstelling, mais pour toujours, pour la République.

Palais_de_l'Industrie_-_Édouard_Baldus

Palais de l’Industrie
Het fenomeen van de wereldtentoonstelling dateert uit 1851. In dat jaar wordt in Londen de Great Exhibition of the Works of Industry of all Nations gehouden in het speciaal daarvoor ontworpen Crystal Palace, een gebouw dat volledig is opgetrokken uit gietijzer en glas. Het is in zeer korte tijd met geprefabriceerde onderdelen in elkaar gezet. Engeland toont zich hiermee prominent aan kop op het gebied van de industriële technologie. Uit de hele wereld is van alles bij elkaar gesleept om in dit wonderlijke gebouw te plaatsen, dat qua interieur een toonbeeld is van Victoriaanse cultuur.

Uiteraard kan Frankrijk dit gebeuren niet zomaar over zich heen laten gaan. In 1855 kondigt Keizer Napoleon III dan ook de Exposition Universelle aan. Net als Londen moet natuurlijk ook Parijs een ingenieus gebouw krijgen. Zo ontstaat het Palais de l’Industrie et des Beaux-Arts, tussen de Champs-Élysées en de Seine.

Na de expo van 1855 wordt het paleis gebruikt als tentoonstellingsruimte voor de jaarlijkse Salons, waar kunstenaars hun werken exposeren. Ook doet het dienst tijdens de wereldtentoonstellingen van 1867, 1878 en 1889, om vervolgens in 1897 te worden afgebroken. Parijs treft op dat moment de voorbereidingen voor de Exposition Universelle de 1900 en het Palais de l’Industrie moet plaatsmaken voor het Grand Palais en het Petit Palais, de pronkstukken van 1900 die tot op de dag van vandaag overeind staan.

1889_vuegeneral

1889
De wereldtentoonstelling van 1889 is een spectaculaire gebeurtenis en niet alleen vanwege de Eiffeltoren. Van 6 mei tot 31 oktober kunnen bezoekers kennismaken met de culturele en technologische hoogstandjes van West-Europa.  Ook het koloniale bezit van de diverse landen wordt tentoongesteld. Er is dan nog geen televisie en geen massatoerisme. Om de wereld te ontdekken moet je dus naar de wereldtentoonstelling, waar de wereld vanuit westers perspectief naar het publiek wordt gebracht.

Het zijn echter niet alleen objecten die geëxposeerd werden, ook dieren en mensen werden uitgestald. Op een terrein van ruim 50 hectaren – het Champ de Mars, het Trocadéro en de Esplanade des Invalides – kan het publiek in 1889 genieten van een industriële en exotische wereld die gepresenteerd wordt in diverse paviljoens en en-plein-air.

zoo-humain-jardin-dacclimation-paris-1895

Village Nègre
Om de bezoekers van het terrein bij het Champ de Mars naar de Esplanade des Invalides te brengen, rijdt er een speciale trein, ontworpen door de firma Decauville. Deze spoorlijn beslaat zo’n drie kilometer en is een favoriete attractie bij het publiek. Iedereen wil wel een ritje maken met dat ijzeren monster.

De trein is echter niet de topattractie van 1889. Dat is de Village Nègre aan de voet van de Eiffeltoren, waar meer dan 400 indigènes (inboorlingen) uit Frans koloniaal gebied worden geëxposeerd in een soort etnologische dierentuin. Deze mensen, die als sauvages (wilde dieren) worden beschouwd, bevinden zich achter hekken en kunnen bekeken en gevoerd worden. Hun handelingen worden gadegeslagen en vaak ook bespot.

Les Zoos Humains ontstaan in de jaren zeventig van de 19e eeuw. Ze zijn niet alleen bedoeld als entertainment, maar vooral om de superioriteit van het blanke ras te onderstrepen. Wetenschappelijk antropologisch onderzoek moet aantonen dat er een hiërarchie van menselijke rassen bestaat, waarbij het blanke ras de ranglijst aanvoert. Om het publiek van deze gedachte te doordringen, gaan Les Zoos Humains deel uitmaken van de wereldtentoonstellingen. Parijs is zeker niet de enige stad waar het imperialisme zich laat gelden, al is de Expo van 1889 wel een van de eerste met een Village Nègre. Hoewel we deze menselijke dierentuinen in de context van die tijd moeten plaatsen, krijgen de woorden liberté, égalité et fraternité hier een wrange bijsmaak.

galerie des machines 1889

Galerie des Machines
Het indrukwekkendste paviljoen in 1889 is zonder twijfel de Galerie des Machines. Met een spanwijdte van ruim 110 meter en een hoogte van meer dan 43 meter is het niet te missen op het uiteinde van het Champ de Mars. Het gebouw bevindt zich vlak voor de École Militaire en is uit gietijzer en glas vervaardigd. Een dergelijke spanwijdte is volledig nieuw en overtreft alle voorgaande glas-ijzerconstructies. Net als bij de Eiffeltoren wordt ook voor de Galerie des Machines gebruik gemaakt van een techniek die tot dan toe uitsluitend is gebruikt voor bruggen en treinstations. Frankrijk triomfeert, niet alleen als republiek, maar ook in de industriële techniek. Schrijver Joris- Karl Huysmans is zo onder de indruk van de Galerie des Machines dat hij het gebouw ‘La Cathédrale du XIXe Siècle’ noemt. Tot de sloop in 1909 is het pronkstuk het grootste metalen gebouw in Europa. Het wordt uiteindelijk afgebroken omdat de stad Parijs weer vrij zicht over het Champ de Mars wil hebben.

palais beaux arts 1889

Palais des Beaux-Arts
Andere gebouwen die in 1889 indruk maken zijn het Palais des Beaux-Arts en het Palais des Arts Libéraux, allebei ontworpen door Jean-Camille Fromigé. Vanuit de Eiffeltoren gezien, zijn deze tweelinggebouwen parallel aan elkaar geplaatst richting de industriehallen. Monumentale trappen leiden naar de ingangen onder de koepels. Deze veelkleurige koepels zijn een prachtige uitdrukking van de op hand zijnde art nouveau stijl; meer dan zeshonderd geglazuurde tegels in blauw en topaastinten sieren elke koepel. Ook deze paleizen verdwijnen in 1897 om plaats te maken voor bouwwerken van de wereldtentoonstelling van 1900.

porte de la place de la concorde 1900

Porte de la Place de la Concorde
Paviljoens zoals de Galerie des Machines en de kunstpaleizen hebben de weg vrijgemaakt voor een nieuwe kunst, die zich in de daaropvolgende jaren steeds duidelijker manifesteert en tijdens de wereldtentoonstelling van 1900 een voldongen feit wordt. In 1895 opent de Franse kunsthandelaar Siegfried Bing zijn Gallerie de l’Art Nouveau en op de Expo van 1900 heeft hij een eigen paviljoen. Al snel wordt duidelijk dat nagenoeg alle Europese landen een variant van de art nouveau tonen, die zij jugendstil, modern style, modernismo of secession noemen. In de architectuur heeft men gebroken met historiserende neostijlen en qua decoratie is men niet schuw van weelderigheid en kleur. Een zeer fraai voorbeeld hiervan is de Porte de la Place de la Concorde. Deze belle époque-toegangspoort leidt via een park langs de Seine naar de Nouvelle Avenue, waar twee schitterende paleizen als onbetwiste hoogstandjes tegenover elkaar zijn geplaatst: het Grand Palais en het Petit Palais.

Paris_Exposition_moving_sidewalk,_Paris,_France,_1900_-_S03_06_01_014_image_9893

Lopende banden
De wereldtentoonstelling van 1900 wordt gehouden van 14 april tot 12 november en trekt ruim 50 miljoen bezoekers! Voor Parijs is het de vijfde keer binnen een halve eeuw dat er een Exposition Universelle wordt georganiseerd. De Expo moest alle vorige edities overtreffen en is zonder meer het hoogtepunt van het fin de siècle. Enerzijds blikt men terug naar het verleden – vooral naar de verworvenheden van de 19e eeuw – anderzijds kijkt men vooruit naar de ontwikkelingen en vernieuwingen van de twintigste eeuw. Wereldtentoonstellingen zijn inmiddels een ware pelgrimage van de moderne tijd geworden.

Net als in 1889 worden de bezoekers van de ene kant van de expo naar de andere kant vervoerd. Graag wil men tijdens de opening op 14 april gebruik maken van het nieuwste vervoersmiddel, de metro, maar dat lukt helaas niet. Pas op 19 juli 1900 rijden de eerste wagons tussen Porte Vincennes en Porte Maillot. Wel op tijd gereed is het driedubbele trottoir tussen de het Champ de Mars en de Esplanade des Invalides. Hierop kan men uiteraard lopen, maar ook op één van de twee ingevoegde lopende banden stappen die, uiteraard in verschillende snelheden, de mensen over het terrein vervoeren. Deze lopende banden zijn, evenals de roltrap, een van de nieuwste technologische uitvindingen.

1900-vue-generale

 Le Vieux Paris
Terwijl de bezoekers zich over de trottoirs voortbewegen, passeren zij Le Vieux Paris. In 1852 had Keizer Napoleon III namelijk opdracht gegeven aan baron Haussmann om het oude, middeleeuwse Parijs om te vormen tot een nieuwe, moderne stad. Alles werd op z’n kop gezet, geen wijk bleef onaangetast. Vele huizen werden onteigend en gesloopt om plaats te maken voor brede avenues en grote boulevards, waarlangs statige gebouwen verrezen. Ook kwamen er nieuwe tuinen en parken.

Door Haussmanns rigoureuze aanpassingen is Parijs anno 1900 een stad die la vie moderne uitademt, een ware metropool. De kronkelige middeleeuwse straatjes met de vakwerkhuizen zijn voorgoed verleden tijd, behalve tijdens de wereldtentoonstelling, waar men nog één keer terugblikt op Le Vieux Paris: vakwerkhuizen keren voor de duur van enkele maanden terug en figuranten lopen rond in middeleeuwse kostuums.

Het contrast tussen het oude Parijs en de belle époque-gebouwen is echter groot. Een van de fraaiste decoraties op de Expo is het Château de l’Eau, een droomdecor dat zich voor het Palais de l’Électricité bevindt, op het Champ de Mars. Het water stroomt vanuit een drie meter hoge grot naar beneden in een bassin van bijna tien meter breed, waar diverse fonteinen het weer in de lucht sproeien: l’Humanité conduite par le Progrès, s’avançant vers l’Avenir.

Le_Chateau_d'eau_and_plaza,_Exposition_Universal,_1900,_Paris,_France

 Het einde van de belle époque
De toekomstgedachte heerst bij velen die naar de Exposition Universelle van 1900 komen. Zo ook bij kunstenaars als beeldhouwer Auguste Rodin. De Franse staat heeft hem niet uitgenodigd om tijdens de Expo in het Grand Palais te exposeren. Met steun van vrienden en kennissen laat hij daarom een eigen paviljoen bouwen op de Place de l’Alma, waar hij een overzichtstentoonstelling van zijn eigen werken presenteert: tekeningen, sculpturen en foto’s. Door de grote internationale toeloop op de wereldtentoonstellingen is dit hét moment waarop Rodin bij het grote publiek bekend raakt. Vooral rijke Amerikaanse verzamelaars sluiten hem in hun armen en zorgen ervoor dat hij wereldfaam verwerft.

Na afloop van de wereldtentoonstelling laat Rodin het Pavillon de l’Alma verplaatsen naar de tuin van zijn huis in Meudon, de Villa des Brillantes, om het als atelier te kunnen gebruiken. In 1925 wordt het afgebroken. Rodin is dan reeds overleden en de belle époque is ook passé. De art déco heeft haar intrede gedaan en Parijs is veranderd in La Cité des Années Folles …

© 2014 Karin Haanappel

Deze week spreekt Karin Haanappel in NRC Handelsblad

Op 8 maart 2011 gaf ik een lezing voor de Kunst Historische Salon in Kunsthuis Rosmalen over ‘Van Venus tot Nana, het vrouwbeeld in de kunstgeschiedenis’. Het Kunsthuis was bomvol ondanks dat het in Brabant volop carnaval was.

van Venus tot Nana door Karin Haanappel

De avond voor deze lezing verscheen er in NRC Handelsblad een interview: Deze week spreekt Karin Haanappel. Je ziet de vrouwen krimpen, in de oude Egyptische kunst. Het interview was afgenomen door Liesbeth Koenen die er een mooi artikel van had gemaakt voor de rubriek ‘Deze week spreekt/ De lezing’. De volgende ochtend, op 8 maart zelf, zette NRC Next Krimpende vrouwen boven dit interview. Om het interview te lezen, klik op deze link: NRC_03_07_2011_artikel_Karin_Haanappel[1]

geboorte van Herstory of Art by Karin Haanappel

Op vrouwendag 8 maart 2012, tijdens volle maan, is mijn boek ‘Herstory of Art’ geboren, ‘s morgens in de uitzending van KoffieMAX (klik hier) heb ik al een tipje van de sluier opgelicht en ‘s avonds in het Singer Theater in Laren, na een wervelende lezing, heeft het boek het levenslicht mogen aanschouwen! Het boek kan gekocht worden in de boekwinkel en via internet. Voor een gesigneerd exemplaar, mail naar: info@herstoryofart.nl

© Karin Haanappel

Interview Karin Haanappel ~ Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici

In februari 2010 werd ik geïnterviewd door Sophie van Steenderen, destijds bestuurslid van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici (VNK). Deze vereniging werd in 1939 opgericht en telt inmiddels meer dan 1000 leden. De VNK biedt alle kunst- en architectuurhistorici in Nederland een platform voor ontmoeting, discussie en advies. Ook vraagt ze aandacht voor gemeenschappelijke kunsthistorische belangen. De VNK is internationaal vertegenwoordigd in het Comité International de l’Art (CIHA).

Karin Haanappel 2010
Karin Haanappel tijdens een lezing in 2010

Op 8 maart is het Wereldvrouwendag. Een mooie aanleiding om de blik weer even nadrukkelijk te richten op de vrouwelijke kunstenaars. Op Judith Leyster bijvoorbeeld, in het Frans Halsmuseum, of op het werk van vrouwelijke kunstenaars uit de collectie van het Musée national d’art moderne in Parijs: de tentoonstelling elles@centrepompidou is nog te zien tot februari 2011.

Karin Haanappel verzorgt vanuit haar eigen onderneming Haanappel Art International / Bureau voor Cultuureducatie cursussen, studiedagen, lezingen, workshops, excursie’s en reizen en ze schrijft en publiceert kunsthistorische teksten. Het zwaartepunt ligt daarbij op de vrouwelijke kunstgeschiedenis. Een fascinatie die al tijdens haar studie begon. Ze studeerde in 1994 af aan de Universiteit Utrecht in Kunstgeschiedenis en Algemene Letteren op Camille Claudel, hetgeen in 2001 leidde tot een bijdrage aan de eerste tentoonstelling van deze kunstenares in Nederland: Camille Claudel, uit de schaduw van Rodin, gehouden in het Singer Museum in Laren. De blijvende passie voor vrouwelijke kunstenaars heeft geresulteerd in het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis. Dit instituut houdt zich bezig met onderzoek naar en onderwijs over vrouwelijke kunstenaars. Zo stond onlangs een aantal lezingen over Judith Leyster op het programma.

Waarom ben je kunstgeschiedenis gaan studeren?
Uit pure liefde voor het vak! Na mijn VWO examen heb ik me ingeschreven aan de Universiteit Utrecht voor de studie Rechten, maar binnen een jaar ben ik overgestapt naar de studie Algemene Letteren. Het eerste jaar was voor mij een kennismaking met de grote diversiteit aan vakken die de toenmalige Faculteit der Letteren bood, waaronder het bijvak Kunstgeschiedenis. Aan de hand van The Story of Art van Gombrich werd ik in de wereld van de kunstgeschiedenis ingewijd en was direct verkocht. Ik wilde geen ‘bijvakker’ zijn, maar een ‘hoofdvakker’ en zodoende schreef ik mij in voor Kunstgeschiedenis naast Algemene Letteren. Al snel viel het mij op dat de vrouwelijke kunstenaars binnen de colleges slechts sporadisch naar voren werden gebracht. Dit fascineerde mij en inspireerde me tot nader (zelfstandig) onderzoek. Voor mijn doctoraal Algemene Letteren heb ik me gespecialiseerd in Cultuureducatie en voor mijn doctoraal Kunstgeschiedenis heb ik mij toegelegd op de negentiende eeuw en het fin de siècle, uiteraard met aandacht voor vrouwelijke kunstenaars. In 1994 ben ik afgestudeerd op het oeuvre van de beeldhouwster Camille Claudel (1864-1943) voor beide studies.

Welke verwachtingen had je aangaande je toekomstige carrière en wat is daarvan uitgekomen?
Ik had niet echt een verwachting, maar wist wel dat ik deze kennisvelden nooit meer zou loslaten. In 1995 ben ik de postdoctorale lerarenopleiding gaan volgen en heb een eerstegraads lesbevoegdheid behaald voor het vak Kunstgeschiedenis. Daarna ben ik cursussen en lezingen gaan geven, heb ik excursies en reizen georganiseerd en begeleid, tentoonstellingen ingericht en publicaties geschreven. Al deze activiteiten heb ik reeds in 1996 ondergebracht in mijn onderneming Haanappel Art International – Bureau voor Cultuureducatie (www.haanappelart.nl). Nadat onze eerste zoon werd geboren in 2001 heb ik me meer toegelegd op de cursussen en lezingen. Inmiddels hebben wij drie kinderen en geef ik nog steeds met heel veel enthousiasme elke week les aan ruim 150 cursisten. Daarnaast word ik veel gevraagd voor lezingen in Nederland en België. Ook heb ik in de zomer van 2009 het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis opgericht.

Wat beschouw je als een succesmoment tijdens je loopbaan als kunsthistoricus? Waar ben je echt trots op?
In de zomer van 2000 werd ik benaderd door het Singer Museum in Laren met de vraag of ik wilde bijdragen aan de eerste tentoonstelling over Camille Claudel in Nederland. Ik heb een deel van mijn doctoraal scriptie uitgewerkt tot een artikel en heb ook de booklet geschreven voor de CD ‘Claude & Camille’ (met composities van Debussy waaraan beelden van Claudel zijn gekoppeld). Daarnaast had Singer Laren mij gevraagd lezingen te geven over Camille Claudel. De eerste keer was de theaterzaal (met ruim 400 mensen) totaal uitverkocht, een fantastische ervaring om zoveel mensen kennis te laten maken met het oeuvre van deze briljante beeldhouwster. Nog steeds word ik veel gevraagd in binnen- en buitenland om over Camille Claudel te spreken en ik doe het met alle liefde en plezier!

En dan de oprichting van het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis (www.artherstory.nl) in 2009: een mijlpaal en succesvol vanaf het eerste begin. Alle studiedagen, cursussen en lezingen die geprogrammeerd staan, worden druk bezocht en de deelnemers zijn enorm enthousiast en dat geeft natuurlijk ook veel voldoening. Het heeft er tevens toe geleid dat verschillende mensen en instellingen mij benaderen om te komen spreken over Herstory of Art.

Wat zijn je plannen op de korte en langere termijn?
Naast het overdragen van kunsthistorische kennis in gesproken woord, wil ik (weer) gaan schrijven en publiceren. Uiteraard mijn boek over Camille Claudel, waarin ik al mijn onderzoek en inzichten naar buiten breng. Maar daarnaast ook een overzicht van de vrouwelijke kunstgeschiedenis Herstory of Art. Het volgende seizoen wil ik dan ook zodanig indelen dat er meer tijd vrij komt om te schrijven.

Welk kunsthistorisch boek maakte een verpletterende indruk op jou, was/is misschien zelfs richtinggevend voor je werk?
Dat is natuurlijk The Story of Art van Gombrich. Het was dit boek waarmee ik voor het eerst in mijn leven de wereld van de kunstgeschiedenis binnenstapte. Het was Gombrich die mijn passie voor het vak heeft doen ontstaan (zeker na het bijwonen van zijn colleges) en het is ook dit boek dat ik als rode draad voor mijn lessen en cursussen gebruik. The Story of Art heeft zelfs indirect geleid tot mijn Herstory of Art. Gombrich schreef ‘het verhaal van de kunst’. Het enige wat ik daarin miste, waren de vrouwelijke kunstenaars: vandaar ook mijn titel Herstory of Art. Daarnaast is het een mooie woordspeling want ‘History of Art’ is HIS story en nu komt HER story aan bod. Mijn uiteindelijke doel is te komen tot een gelijkwaardige kunstgeschiedenis voor mannelijke en vrouwelijke kunstenaars waar kwaliteit boven kwantiteit staat.

Als het mogelijk was terug te gaan in de tijd, welke kunstenaar of kunsthistoricus zou je willen ontmoeten? Wat zou je hem of haar willen vragen?
Camille Claudel uiteraard! Vanaf 1993 is zij een deel van mijn leven geworden en tijdens mijn onderzoek gedurende de afgelopen jaren zijn er zoveel vragen ontstaan. Het lijkt me geweldig haar te kunnen interviewen.

Van welk kunstwerk of gebouw gaat jouw hart sneller kloppen en waarom?
De beelden van Camille Claudel fascineren me nog steeds en als ik de verscheidenheid aan portretten zie van la petite Châteleine krijg ik kippenvel. Maar ook de Nana’s van Niki de Saint Phalle vind ik geweldig en het is zo spijtig dat ik in 1966 nog niet leefde en dus niet in Stockholm de Hon heb kunnen betreden…..

Welke tentoonstelling heb je als laatste gezien? En wat vond je ervan?
Kandinsky & Der blaue Reiter in het Gemeentemuseum in Den Haag. Een prachtige tentoonstelling met werk uit het Lenbachhaus in München. Dit soort expressionisme moet je in het echt zien, elke reproductie valt in het niet. Wel jammer dat Gabriele Münter een wat magere rol heeft gekregen in Den Haag, want niet alleen heeft het Lenbachhaus alle werken aan haar te danken ook Kandinsky heeft dankzij haar aanwezigheid de stap naar abstractie kunnen maken.

Wat verwacht je van een vereniging voor kunsthistorici?
Een goed platform voor afgestudeerde kunsthistorici waar uitwisseling van ervaringen en ideeën kan plaatsvinden, waar interessante en actuele themadagen worden georganiseerd. De wijze waarop de VNK naar buiten treedt, bevalt mij prima. Helaas heb ik gezien de omvang van mijn werkzaamheden naast de zorg voor drie kleine kinderen niet altijd tijd om overal bij aanwezig te zijn. Maar dat gaat zeker komen…….

Welke tip of goede raad wil je je collega-kunsthistorici meegeven?
Blijf elke dag genieten van het mooiste vak ter wereld: Kunstgeschiedenis.

Dit interview is afkomstig van de website van het VNK, klik hier om daarheen te gaan.
Bij het VNK staat weliswaar maart 2011 maar het is 2010 geweest. De tentoonstelling van Judith Leyster, die in dit interview genoemd wordt, was 19 december 2009 t/m 9 mei 2010 in het Frans Hals Museum te Haarlem.

© Karin Haanappel

Een nieuw blog: Kunst & Kind

De relatie tussen kunst en kinderen is vaak nog zo puur en zuiver. Dat ervaar ik als kunsthistorica iedere keer weer als ik met kinderen werk. Vanuit hun kind-zijn reageren kinderen heel open, onbevangen en ongedwongen op kunst, terwijl wij als volwassenen vaak veel terughoudender zijn of denken dat we eerst de juiste betekenis moeten kennen van een kunstwerk om er iets van te mogen vinden.

anna amsing-vogel-2013 Anna Amsing, Vogel, 2013

Door middel van het plaatsen van artikelen op dit weblog wil ik kinderen laten spreken over kunst. Wanneer kinderen vanuit hun eigenheid vertellen, zal duidelijk zijn dat kunst een prachtig instrument is om uitdrukking te geven aan hun zieleroerselen. Dat kan zowel in verhaalvorm zijn als ook heel praktisch wanneer kinderen zelf kunst gaan maken. Daarnaast zal ik ook aspecten uit de geschiedenis belichten die ’vergeten’ zijn, zoals de egalitaire culturen uit neolithische tijden. Deze kunnen tot voorbeeld dienen voor onze huidige maatschappij.

Het achterliggende doel van deze artikelen, die uiteraard geïllustreerd worden met kunstwerken, is mensen (weer) bewust maken van hun eigen innerlijke kind zodat zij meer begrip naar zichzelf en de wereld van de kinderen kunnen kijken. Ook het doorgeven van de ‘vergeten’ geschiedenis leidt tot een groter bewustzijn met als resultaat dat mensen (weer) in hun eigen kracht komen en kunnen manifesteren zonder beladingen of onnodige aannamens.

Karin Haanappel kunsthistorica, docent en auteur
www.karinhaanappel.nl

Kunst & Kind
www.kunstenkind.wordpress.com
twitter: @kunstenkind
facebook: www.facebook.com/kunstenkind

Elisabeth Sonrel ontdekt, lees meer op weblog Arte delle Donne

Afgelopen woensdag toen ik mijn les over Art Nouveau posters & affiches aan het voorbereiden was en op zoek ging naar HR afbeeldingen via google, kwam ik op een Franse website vol prachtige afbeeldingen. Ineens zag ik haar naam: Elisabeth Sonrel, het stond geschreven tussen Alphonse Mucha, Jules Chéret, Henri Toulouse-Lautrec…..

7316948278_9a4e44f9ce_o

Gefascineerd door het feit dat er een vrouwelijke Art Nouveau kunstenaar rond 1900 werkzaam was geweest, ben ik me verder gaan oriënteren. Al snel kwam ik erachter dat haar werk erg populair was in het Fin-de-Siècle en de laatste 20 jaar weer aan belangstelling toeneemt. Haar werken doen het goed bij de internationale veilinghuizen, al leveren ze (nog) geen hoofdprijzen op. De informatie rondom haar persoon is summier en soms ook foutief. Sotheby’s laat haar geboren worden in het jaar 1874 (dat klopt) en sterven in 1974 (dat klopt niet, zij stierf in 1953). Renoir Fine Art Inc. heeft een biografie over haar gepubliceerd en schrijft dat zij leerlinge is geweest van Jules Lefvbre (dat klopt) aan de Académie des Beaux-Arts. Dat laatste kan niet kloppen want de Académie was destijds nog niet toegankelijk voor vrouwelijke leerlingen. In mijn boek ‘Herstory of Art‘ staat dat uitgelegd. Omdat ik weet dat Lefvbre ook gedoceerd heeft aan de Académie Julian (die wel open stond voor vrouwen) heb ik daar in het archief gekeken of Elisabeth Sonrel genoemd werd. En voilà: zij is in 1892 afgestudeerd aan de Académie Julian en haar ‘meesterwerk’ wordt nog steeds bewaard in het Musée des Beaux-Arts in Tours, haar geboorteplaats.

kalender 1904 Elisabeth Sonrel

Haar werk spreekt mij enorm aan en maakt mij erg nieuwsgierig naar de persoon erachter. Diezelfde dag heb ik nog een artikel over haar geschreven en geplaatst op mijn weblog Arte delle Donne: http://artedelledonne.wordpress.com/2013/01/30/elisabeth-sonrel-een-art-nouveau-kunstenares/

Gisteren heb ik de les over Art Nouveau posters & affiches gegeven en mijn studenten waren erg enthousiast over Elisabeth Sonrel, net als veel mensen die mijn artikel op Arte delle Donne hebben gelezen en vervolgens mailen dat ze meer willen weten over deze vrouw en haar prachtige kunst! Een extra stimulans om me verder in deze vrouw te verdiepen, haar werken te zoeken, haar biografie compleet te maken en uiteindelijk te publiceren in een mooi boek. Na het lanceren van mijn boek over Camille Claudel (1864-1943) is de weg vrij voor Elisabeth Sonrel (1874-1953).

© 2013 Karin Haanappel