Camille Claudel, haar levensverhaal door Karin Haanappel

In 2016 organiseert de Stichting Erasmus Festival Brabant voor de tiende keer een festival rondom de uitreiking van de Erasmusprijs. Dit jaar gaat deze prestigieuze prijs naar Dame Antonia Susan Byatt (1936) vanwege haar bevlogen bijdrage aan het literaire genre Life-writing.

erasmusfestival-intro-camille cover-camille-claudel-statuaire-haanappel-publishers-klein

Evenals  A.S. Byatt is de Brabantse kunsthistorica Karin Haanappel bijzonder geïnteresseerd in de levens van kunstenaars. Haar specialisme ligt bij vrouwelijke kunstenaars in het bijzonder bij Camille Claudel (1864-1943). In 1993 heeft zij de werken van Claudel ontdekt.  Een jaar later studeert zij af op Claudels oeuvre aan de Universiteit Utrecht in Kunstgeschiedenis en Algemene Letteren. Met het binnenkort te verschijnen Camille Claudel, statuaire laat Karin Haanappel een nieuw en helder licht schijn en over de gebeurtenissen in het leven van deze zeer getalenteerde vrouw, waardoor zij haar rechtmatige positie in de kunstgeschiedenis (terug)krijgt. Haanappel aan het woord: “Ruim twintig jaar geleden begon mijn zoektocht naar Camille Claudel. Op een zaterdag had ik haar gevonden. Of had zij mij gevonden? liefde op het eerste gezicht die ene ochtend in Musée Rodin in Parijs, in het voorjaar van 1993, toen ik plotseling oog in oog stond met haar sculpturen. Ik stond aan de grond genageld. Deze werken waren zo totaal anders dan die in de rest van het museum, ze konden haast niet van de hand van Rodin zelf zijn. De zon scheen op de beelden wat ze een extra schittering gaf. Wie was die kunstenaar wiens handen deze werken hadden geboetseerd en gekapt? De zaaltekst gaf het antwoord. Camille Claudel. Een Vrouw. Een beeldhouwer. Sindsdien verdiep ik mij in het leven en oeuvre van Camille Claudel, reis in haar voetsporen en ontdek steeds weer nieuwe dingen”. Met Karin Haanappel als spreker vergeet je de tijd, zeker als zij haar grote liefde Camille Claudel in het zonlicht mag zetten. Reactie van een bezoeker: “Succes met je boek over Camille Claudel, ik kan niet wachten om het te lezen. Als je net zo schrijft als dat je spreekt, wordt het een bestseller!!”

Relevante links

http://www.herstoryofart.nl/web/index.php/vrouwelijke-kunstgeschiedenis-herstory-of-art-artedelledonne/boek-herstory-of-art

https://www.bibliotheekdenbosch.nl/homepage/openingstijden-en-adressen

http://www.camille-claudel.nl/web/index.php/camille-claudel/

http://www.camilleclaudelstatuaire.wordpress.com/

Erasmusfestival Brabant: http://www.erasmusfestival.nl/evenement/camille-claudel-levensverhaal-karin-haanappel/

Datum: zaterdag 10 december 2016

Aanvang: 14.00 uur

Eindtijd: 16. 00 uur met halverwege een korte pauze

Entree: voor leden van de bibliotheek € 6 en voor niet-leden € 8

Aantal plaatsen: 60

erasmusfestival-aanmelden aanmelden? klik op de foto.

Een eeuw mode- en vrouwengeschiedenis in een notendop

Le Petit Echo de la Mode
Een eeuw mode- en vrouwengeschiedenis in een notendop

Dit artikel is verschenen in Magazine En Route (najaar 2015)

Met Le Petit Echo de la Mode bezat Frankrijk een gezaghebbend modetijdschrift dat zich meer dan een eeuw wist te handhaven tot het in 1983 moest stoppen door te lage verkoopcijfers. De verschenen edities zijn nu gewilde verzamelobjecten en geven bovendien een uitstekend beeld van de sociaal-maatschappelijke veranderingen in de positie van de vrouw.

intro La Petit Echo de la Mode

Le Petit Echo de la Mode wordt in 1880 opgericht. De nummers verschijnen wekelijks en rond 1900 is er al een oplage van 300.000 exemplaren bereikt. Een halve eeuw later is dat aantal zelfs gestegen naar anderhalf miljoen exemplaren. Het magazine besteedt niet alleen aandacht aan mode voor vrouwen. Het hele gezin komt aan bod, al wordt de vrouw als lezeres duidelijk aangesproken. Niet gek, want decennia lang is zij de centrale figuur in het huiselijke domein. Naast mode is er aandacht voor la cuisine met heerlijke recepten, le ménage met aandacht voor de nieuwste huishoudelijke apparatuur en la lecture met recensies van boeken.
De covers van het tijdschrift door de jaren heen geven niet alleen een fraai beeld van de veranderingen op modegebied, maar illustreren ook de positie van vrouwen tussen 1880 en 1983.

Rose Bertin maakt Parijs hoofdstad van de mode
Zoals de BBC serie The Story of Women and Art in 2014 terecht benadrukte, was het Rose Bertin (1747-1813) die ervoor zorgde dat Parijs de internationale hoofdstad van de mode werd. Al is zij inmiddels in de vergetelheid geraakt, tijdens het ancien régime wist deze Franse dame zich op te werken van een meisje uit de marchande de modes tot een internationaal beroemde modeontwerpster in Parijs. Helaas maakt de Franse Revolutie een eind aan haar carrière.

In de 19e eeuw heeft de ideale vrouw geen beroep. Als toegewijde echtgenote en moeder is zij de koningin van het privédomein en beantwoordt zij volledig aan de vier pijlers van The Cult of True Womanhood, de vier kardinale deugden voor vrouwen: vroomheid, kuishuid, huiselijkheid en onderdanigheid. Van alle vrijheden die vrouwen in het ancien régime genoten, is niets meer over. Deze trend heerst tussen 1820 en 1860 en wordt bekrachtigd in tijdschriften, kranten en boeken.

afb. 1 Marie Antoinette door Elisabeht Vigée-LeBrunafb. 2 Madame Recamier door François Gérard
afb.1                                                  afb.2

Van ancien régime naar fin de siècle
Het modebeeld illustreert de sociaal-maatschappelijke verandering in de positie van de vrouw goed. Na de buitensporige creaties uit het ancien régime (afb. 1) en de losse, neoklassieke gewaden uit de empiretijd (afb. 2) zien we tussen 1820 en 1860 de ingesnoerde en steeds kuisere mode. Men streeft ernaar de torso zo klein mogelijk te houden. Om de taille smaller te laten lijken, worden de rokken steeds volumineuzer, met als hoogtepunt de komst van de crinoline (afb. 3). De talloze onderrokken maken het bewegen haast onmogelijk, maar ledigheid van vrouwen toont de sociaal hoge status van haar echtgenoot. De draagster van deze kleding kan niet anders dan er een stoet bedienden op nahouden om haar te helpen. De enige bezigheid die een vrouw van goeden huize mag hebben, is het moederschap. Het is zeker geen toeval dat de crinoline juist nu mode wordt. De extra brede heupen verwijzen indirect naar de vruchtbaarheidsfunctie van vrouwen.

afb. 3 crinoline afb. 3

De crinoline blijft ongeveer vijftien jaar in de mode en verandert regelmatig van vorm, maar altijd is de rok aan alle kanten even wijd, de taille slank en het lijfje nauwsluitend. Vanaf 1865 verandert het model van de rok ingrijpend. De stof wordt naar achteren, in draperieën, gedragen zodat de rok aan de voorkant min of meer recht valt. Deze wijze van stof draperen wordt aangeduid met het begrip tournure en is goed zichtbaar op het schilderij La Parisienne (afb. 4) van Auguste Renoir uit 1874.

afb. 4 La Parisienne door Auguste Renoirafb. 5 A
afb.4                                               afb.5

Tijdens de eerste jaren waarin Le Petit Echo de la Mode verschijnt, is de tournure (in de volksmond queue de Paris) volop aanwezig in het modebeeld (afb. 5). Zoals de covers van het tijdschrift aantonen, worden de tailles steeds strakker en verdwijnt de tournure tegen het einde van de 19e eeuw. De rokken vallen nu in een vrij sluike kloklijn over de heupen. De borst wordt naar voren gedrukt en moet vol zijn. Als je op dit gebied weinig te bieden hebt, kan worden volstaan met veel afhangende kanten ruches om toch een vol effect te bereiken. De schouders worden breder door de grote pofmouwen, die soms met kussentjes gevuld worden. Dit heeft als gevolg dat de ingesnoerde taille nóg smaller lijkt. Rond 1895 zijn de tailles het dunst, met een omvang van amper 50 cm. Sommige vrouwen laten zelfs hun onderste ribben operatief verwijderen. Uiteraard komt dit de gezondheid niet ten goede en zijn er steeds meer stemmen te horen die andere kleding eisen.

Reformkleding wordt haute couture
Tijdens de bloeitijd van de art nouveau zien we de kenmerkende zweepslaglijn doorgevoerd worden in het modebeeld. De taille is vrij smal, waardoor het korset verplicht blijft. Toch wordt er ook praktische kleding gecreëerd. Er komen losse rokken, bloezen en jasjes die gemakkelijk te dragen zijn bij het wandelen, tennissen en fietsen. Deze verandering gaat gelijk op met de suffragettebeweging (eerste feministische golf). Vrouwen uit de gegoede klassen roepen op tot stemrecht (suffrage), onderwijs en gelijke lonen. Ook propageren zij een gezond en esthetisch ontwikkeld lichaam. Hieruit ontstaat de zogenaamde reformkleding die een fel protest is tegen de wespentaille.

afb. 6 Prent uit Les choses de Paul Poiret afb.6

In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog verdwijnt het korset uit het modebeeld. Het is vooral Paul Poiret (1879-1944) die ontwerpen maakt waarbij het korset overbodig is, hoewel gezondheidsredenen voor hem nauwelijks een rol spelen. Zijn kleding geeft vrouwen veel bewegingsvrijheid (afb. 6). Voor Poiret is kleding een vorm van kunst. Zijn jurken zijn sensationeel vergeleken met de gangbare, ingesnoerde mode. Poiret laat zich vooral inspireren door de Ballets Russes en de sprookjes van duizend-en-één nacht. Hij voert de harembroek in, inspireert mantels en jasjes op de kimono en zet dames een tulband op. In zijn vormgeving loopt hij vooruit op de roaring twenties.

De grote rivaal van Paul Poiret en in alles zijn tegenpool is zonder twijfel Coco Chanel (1883-1971). Zij ontwerpt vooral eenvoudige en draagbare kleding, zó tijdloos dat je haar creaties nog steeds kunt dragen. Chanel laat zich niet inspireren door het verleden of exotisme, maar door herenkleding. Ook gebruikt zij nieuwe stoffen zoals jersey. Dit maakt haar hét icoon van de bevrijde vrouw die streeft naar gelijkwaardigheid. In 1917 knipt zij als een van de eerste vrouwen haar haren kort. Het wordt al snel een rage en luidt het tijdperk van les garçonnes (flappergirls) in.

afb. 7 petit echo aug. 1926afb. 8 petit echo april 1929
afb.7                                                        afb.8

De Eerste Wereldoorlog mag dan de strijd van de suffragettes hebben stopgezet, tijdens de oorlog hebben vrouwen laten zien dat ze hun mannetje staan, en na de oorlog zijn ze geenszins van plan terug te keren naar het privédomein. The New Woman is volop aanwezig in de maatschappij, in tegenstelling tot The True Woman in de 19e eeuw. Tijdens de roaring twenties introduceert Chanel de korte rok die net onder de knie komt, ontwerpt sieraden van goedkope materialen en lanceert een parfum van synthetische geurstoffen. Le Petit Echo de la Mode volgt deze vernieuwingen op de voet en laat zich door Chanel inspireren. (afb. 7 en 8)

afb. 9 petit echo 1935afb.9

In de jaren dertig worden de rokken weer langer. Brede schouders en smalle heupen worden het schoonheidsideaal. De japonnen zijn recht en slank zoals de kleding van Hollywood filmsterren (afb. 9). Het haar wordt glad gekapt, want een klein hoofd versterkt de indruk van lengte. Ook komen synthetische stoffen op, zoals kunstzijden kousen.

Parijs houdt de leidende rol als modestad
Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog treedt overal schaarste op. Kleding gaat op de bon en mode is zinloos geworden. Van hoog tot laag moeten vrouwen hun oude kleren dragen of van uitgehaalde wol nieuwe stukken breien. Le Petit Echo de la Mode uit november 1940 toont een lachende moeder die haar dochter leert breien (afb. 10). Kousen zijn schaars en veel vrouwen lopen met blote benen. Sommigen verven zelfs hun benen bruin en tekenen er een achternaad bij om het effect van kousen te bereiken. Anderen dragen een lange broek, een mannenkledingstuk dat vrouwen eigenlijk niet behoren te dragen. De kleding in de oorlogsjaren is sober, eenvoudig en vooral praktisch. De haute couture heeft het zwaar. De Duitsers willen van Berlijn of Wenen de internationale hoofdstad van de mode maken, maar dat lukt hen niet. Parijs blijft overeind staan, zij het moeizaam.

afb. 10 petit echo nov 1940afb. 11 petit echo april 1951
afb.10                                                      afb.11

Na de oorlog wordt Europa geholpen bij de wederopbouw door Amerika, via het Marshallplan. De Verenigde Staten worden toonaangevend op veel vlakken, maar niet op het gebied van de mode. Door de oorlog heeft de Amerikaanse mode-industrie zich weliswaar kunnen ontwikkelen, maar zij richt zich niet zozeer op haute couture. Zij houdt zich vooral bezig met casual wear en confectiekleding. Het is Christian Dior die Parijs in 1947 weer de leidende rol in de modewereld geeft. Als reactie op de oorlogsmode ontwerpt hij een zeer vrouwelijke ligne corolle met een ingesnoerde taille, immens wijde rokken, gladde lijfjes, hooggehakte schoenen en een kleine hoed. De New Look van Dior is een grote sensatie, vrouwen kunnen weer vrouw zijn. Zelfs het korset komt heel eventjes terug. Ook Le Petit Echo de la Mode is in de ban van Dior (afb. 11). Toch is het niet de mode die alle vrouwen wensen.

Chanel gruwt van de New Look. De Eerste Wereldoorlog had de vrouwenemancipatie gestimuleerd waardoor The New Woman tijdens de roaring twenties geboren kon worden. Het symbool van vrijheid werd de korte rok. Met zijn New Look lijkt Dior terug te willen naar de rustige tijden van The True Woman toen vrouwen thuis bleven. De sociaal-maatschappelijke druk op de vrouw als ideale moeder en perfecte echtgenote lijkt deze mode te onderstrepen.

Echter, niet alle vrouwen kunnen en willen hun pas verworven vrijheden opgeven. Door het gebrek aan mannen zijn veel vrouwen gedwongen om te werken. In het midden van de jaren vijftig maakt Chanel een enorme comeback met haar comfortabele mantelpakjes (afb. 12) van mannelijk tweed, die stevig omarmd worden door de werkende vrouwen en een voorbode vormen voor het feminisme van de daaropvolgende jaren.

afb. 12 Coco Chanelafb.12

Het einde van Le Petit Echo de la Mode
De sociale druk van de jaren vijftig, maar ook de uitvinding van de pil, leiden onherroepelijk tot de emancipatiebewegingen van de jaren zestig en zeventig (tweede feministische golf). De mode gaat weer radicaal om. Naast de introductie van de ultrakorte rok in 1962 zorgt Yves Saint Laurent een paar jaar later dat vrouwen eindelijk broeken kunnen dragen. Door de hippiebeweging van de jaren zeventig worden stoffen met hele wilde patronen, gebaseerd op Popart en psychedelische Opart, erg gewild. Ook ‘mode van de straat’ krijgt steeds meer invloed, met als sterkste voorbeeld de spijkerbroek en het T-shirt.

In de jaren tachtig krijgt de punkbeweging invloed op de mode, scheuren in jeans en het dragen van ondergoed als bovenkleding sijpelen in mildere vorm door naar het bredere publiek. De tijd dat er slechts één soort kleding in de mode was, is voorgoed voorbij. Daar komt nog bij dat vrouwen de corporate ladder gaan beklimmen en power-dressing nodig hebben. De eerste fase van de tweeverdieners dient zich aan en de yup komt op. Het moge duidelijk zijn dat vanaf de jaren tachtig het bestaansrecht van Le Petit Echo de la Mode verdwijnt.

© Karin Haanappel (2015)

Om de PDF te bekijken uit Magazine En Route: ER145-LePetitEchoDeLaMode-KarinHaanappel. (de witte pagina is een lege advertentie pagina)

basiscursus kunstgeschiedenis The Story of Art – Tilburg University

De eerste dinsdagochtend in september start wederom een basiscursus kunstgeschiedenis The Story of Art, locatie Tilburg University. Reis je met mij mee? Door eeuwen kunst, samen genieten van de prachtige creaties van mannelijke én vrouwelijke kunstenaars? Deze cursus is een ‘must’ voor iedere kunstliefhebber, zowel voor beginners als gevorderden.

Bekijk onderstaande trailer en ontdek in 2 minuten enkele kunstschatten die de revue zullen passeren.

Meer informatie of aanmelden? Klik op onderstaande foto.

basiscursus kg

Carpe Diem ~ in memoriam Nice

Berthe_Morisot_-_Le_Port_de_Nice

Nice
1882
een zee van kleur
vrouwehanden
die penselen
vol beweging
de weg wijzen
licht en pigmenten
doen hun werk
een schitterend spektakel
tot gevolg

Nice
14 Juillet 2016
een chaos van verdriet
aangericht door onnodig
machtsvertoon
dominantie ten top
om volgzaamheid af te dwingen
bezetenheid
een afgrijselijk slagveld
tot gevolg

op het dodenwiel
muntjes voor een veilige overtocht
en veren van zwaan
op het levenswiel
zacht en warm
troost en een traan

laat je niet leiden tot lijden
kies de weg van je hart
en sta in je kracht
leef het licht en ken de duisternis

Renoir sprak:
het leven is een feest van kleur
er is genoeg ellende in de wereld
waarom deze ellende schilderen?
de Aarde is een Paradijs
van goden en godinnen
schilder en motiveer
tot een leven in kleur

Carpe Diem ~

15 juli 2016
© Karin Haanappel

afbeelding, Berthe Morisot, Le Port de Nice, 1882

Interview voor de Vrije Academie: Karin Haanappel over het Impressionisme

Vrije Academie docente Karin Haanappel over het Impressionisme

interview karin haanappel vrouwelijke impressionisten

L’Impressionnisme? C’est féminine!

Docente Karin Haanappel studeerde Algemene Letteren en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, waar zij in 1994 afstudeerde op het oeuvre van de Franse beeldhouwster Camille Claudel (1864-1943). Sindsdien doet zij onderzoek naar de (vergeten) vrouwelijke kunstenaars en brengt deze in haar colleges, lezingen, boeken en artikelen onder de aandacht. In 2009 richtte zij het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis op en in 2012 publiceerde zij het baanbrekende boek Herstory of Art. Voor de Vrije Academie verzorgt zij al jaren colleges, studiedagen en lezingen over vrouwelijke kunstenaars.

Welke rol speelt het impressionisme in jouw werk?

De tweede helft van de negentiende eeuw en het fin-de-siècle heeft altijd een aantrekkingskracht op mij gehad. Dit zijn tevens de jaren waarin het impressionisme in Frankrijk is geboren en groot geworden. Tijdens het onderzoek voor mijn biografie over Camille Claudel (verschijnt medio 2016) heb ik ontdekt dat veel vrouwelijke kunstenaars ware pioniers zijn geweest. Zo is Claudel zonder twijfel toonaangevend geweest binnen de Art Nouveau. Mijn volgende biografie gaat over de vrouwelijke impressionist Berthe Morisot. Interessant om te ontdekken dat de kunstcriticus Gustave Geffroy in 1881 schrijft: “Niemand vertegenwoordigt het impressionisme met meer talent en meer autoriteit dan Berthe Morisot”.

Bien-fini op de jaarlijkse Salon

In negentiende-eeuws Parijs is het gebruikelijk dat kunstenaars hun werk insturen voor de jaarlijkse Salon (l’exposition). Succes op de Salon betekent doorgaans ook een succesvolle carrière. Wanneer mannelijke kunstenaars impressionistisch werk inleveren, wordt dit veelal afgewezen door de juryleden omdat het volledig indruist tegen de academische werkwijze. De schilderijen zijn niet ‘bien-fini’ geschilderd, maar hebben een losse penseelvoering, een licht kleurgebruik en tonen een vluchtige impressie van het moment. Het werk van vrouwelijke impressionisten daarentegen wordt juist wel toegelaten, maar om verkeerde redenen. Sinds 1607 was het vrouwen verboden om onderwijs te genieten aan kunstacademies. Om te bewijzen dat vrouwen ‘in de schets zijn blijven hangen’ en daarom geen perfectie kunnen bereiken besluit de jury hun werk juist te tonen op de Salon zodat het publiek kan zien dat genialiteit geen vrouwelijke kwaliteit is. Ironisch om te constateren dat het publiek deze schilderijen juist geweldig vindt en graag koopt.

Wat spreekt jou het meest aan in het impressionisme?

Het impressionisme toont vaak een bepaalde joie de vivre of om de woorden van Auguste Renoir aan te halen: “De wereld is een feest van kleur. Er is al ellende genoeg in de wereld, waarom deze ook nog op het doek zetten?” Naast dat is het impressionisme een schitterende verbeelding van de tijdgeest waarin de kunstenaars leefden. Het alledaagse in plaats van historische taferelen zijn het onderwerp. Daardoor is het mogelijk om bijvoorbeeld aan de hand van schilderijen het Parijs van Haussmann binnen te wandelen, de huizen van haute bourgeoisie te verkennen, van het uitgangsleven te genieten of pittoreske dorpjes te bezoeken.

Kennen we in Nederland ook impressionistische schilders?

Zeker weten, het impressionisme is een internationale stroming en ook Nederland kent vertegenwoordigers. Bekende namen zijn Jongkind, Mauve, Breitner, Israëls en de gebroeders Maris om er een paar te noemen. En niet te vergeten vrouwelijke impressionisten zoals Arina Hugenholtz of Wally Moes. Het Singer Museum in Laren heeft fraaie werken van deze dames in hun eigen collectie.

Wat is jouw lievelingsschilderij?

Ik heb niet echt een lievelingsschilderij of een lievelingsschilder. Maar als ik er dan toch een zou moeten kiezen, dan wordt het een schilderij van Eva Gonzalès: Het ontwakenuit 1877/78. Het werk bevindt zich in de Kunsthalle in Bremen en heeft mijn aandacht vanaf het eerste moment getrokken. De dromerige blik waarmee de net ontwaakte jonge vrouw voor zich uitstaart in de schemering van ochtend vind ik perfect gevangen door de kunstenares.

Klik hier om het interview op de website van de Vrije Academie te lezen.

VOORJAAR 2016 

Korte collegereeks Les Femmes Impressionnistes in Amsterdam, Utrecht en Den Bosch 

collegereeks vrouwelijke impressionisten by karin haanappel

De (vergeten) vrouwelijke impressionisten door Karin Haanappel

Halverwege de negentiende eeuw ontstaat in Parijs een artistieke beweging in de schilderkunst die volledig indruist tegen de academische werkwijze. De schilderijen zijn niet ‘bien-fini’ geschilderd maar hebben een losse penseelvoering, een licht kleurgebruik en tonen een vluchtige impressie van het moment. Vanaf 1874 wordt deze beweging aangeduid met de term impressionisme. Vrouwen als Berthe Morisot (1841-1895), Mary Cassatt (1844-1926)  en  Eva Gonzalès (1847-1883)  hebben ook een belangrijk deel uitgemaakt van Les Impressionistes.

Tijdens deze korte collegereeks van Karin Haanappel hoort u over deze drie vrouwelijke impressionisten, aangevuld met de minder bekende Marie Bracquemond (1840-1916). We nemen het leven & oeuvre van deze vier vrouwen onder de loep en plaatsen het in de context van de tijd waarin zij leefden.

Bij de groep impressionisten denken we onwillekeurig aan mannelijke schilders: Monet, Renoir, Degas, Sisley, Pissarro, … etc. Dat ook vrouwen deel uitmaakten van deze Parijse beweging is veel minder bekend. Vanaf het begin heeft Berthe Morisot (1841-1895) deel uitgemaakt van Les Impressionistes. Zij was niet alleen één van de belangrijkste vertegenwoordigers, maar kan ook gezien worden als een pionier van het impressionisme. Ook de Amerikaanse Mary Cassatt (1844-1926) heeft een belangrijke rol gespeeld. Naast haar vernieuwende werk stimuleerde zij Amerikaanse verzamelaars om werk van de impressionisten te kopen. Dankzij haar is het impressionisme populair geworden in de Verenigde Staten. De helaas jong gestorven Eva Gonzalès (1847-1883) is tegenwoordig bekend als de enige leerlinge van Edouard Manet, maar zij was zoveel meer dan dat. Onderzoek wijst zelfs uit dat zij, net als Berthe Morisot die met Manets broer trouwde, een grote inspiratiebron is geweest voor Manet en hij door hen impressionistisch is gaan schilderen! De minder bekende Marie Bracquemond (1840-1916) heeft het impressionisme altijd vurig aangehangen. Zij heeft aan verschillende tentoonstellingen deelgenomen en haar werk verdient het om weer voor het voetlicht geplaatst te worden.

De schilder Renoir en Wereld Reuma dag

Vandaag, 12 oktober, is het Wereld Reuma dag en moet ik onherroepelijk denken aan de woorden van de impressionistische schilder Auguste Renoir (1841-1919): voor mij moet een schilderij iets liefdevols, verheugends en moois, ja iets moois zijn. Er zijn al genoeg vervelende dingen op de wereld. Er is geen reden om er nog meer te maken!

Renoir, Les Grands Boulevards, 1875

De schilderijen van Renoir behoren tot de meest feestelijke en opgewekte werken uit de negentiende eeuw, een lust voor het oog. Nooit heeft hij zijn publiek willen choqueren of deelgenoot maken van pijn, destructie en haat. Hij hield van het leven en toonde de wereld van haar vrolijke en mooie kant. De aarde is het Paradijs van goden en godinnen……..en juist dat is wat ik graag wil schilderen, aldus de impressionistische schilder Renoir.

Auguste_Renoir_-_The_Swing_-_Google_Art_Project Renoir reuma

Wat weinig mensen weten, is het feit dat deze altijd optimistische en vrolijke man een groot deel van zijn leven reuma heeft gehad, om precies te zijn reumatoïde artritis. Zijn grote passie schilderen wilde hij echter niet opgeven. Daarom liet hij penselen met zwachtels aan zijn polsen binden om door te gaan met het creëren van een Feest van Kleur! Er is immers al ellende genoeg in de wereld waarom deze ook nog op het doek zetten? Door mooie en liefdevolle schilderijen te maken, wilde Renoir de mensheid positieve energie meegeven en probeerde hij zijn eigen pijn niet te voelen. Niet alleen zijn impressionistische werken, ook zijn doorzettingsvermogen en kracht om onder de meest erbarmelijke omstandigheden een vrolijk schilderij te schilderen, maken Renoir voor mij onsterfelijk.

12 oktober 2015
© Karin Haanappel

 

 

De wereldtentoonstellingen van 1889 en 1900

Dit artikel is verschenen in En Route magazine (winternummer 2014).

Porte d'Expo 1889

De Eiffeltoren bestaat dit jaar 125 jaar. Gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1889 zou het gevaarte eigenlijk maar twintig jaar overeind blijven, om vervolgens plaats te maken voor iets nieuws. Maar ‘La dame de fer’ bleek zeer geschikt als communicatietoren. Ze kreeg een antenne en mocht blijven staan. Inmiddels is zij hét symbool van Parijs. Veel andere bouwwerken van de ‘Expositions Universelles’ van 1889 en 1900 moesten wél wijken voor de moderniteit. Karin Haanappel maakte een reportage over deze verdwenen kunstschatten voor En Route.

In 1889 herdacht Frankrijk de 100e verjaardag van de bestorming van de Bastille, een gebeurtenis die beschouwd wordt als het startmoment van de Franse Revolutie. In de tussenliggende honderd jaar had Frankrijk heel wat politieke schommelingen doorgemaakt. Sinds 1871 was de Derde Republiek van kracht en tijdens de Exposition Universelle van 1889 moest deze Republiek, met een knipoog naar 14 juli 1789, uitbundig gevierd worden. De Franse Staat liet dan ook een monumentale toegangspoort bouwen die de triomf van de republiek moest symboliseren. De ontwerper van deze toegangspoort was Gustave Eiffel. Twee jaar eerder had hij de prijsvraag gewonnen die uitgeschreven was door het ministerie van handel en industrie en was zijn ontwerp uitgekozen om gerealiseerd te worden. Niet alleen voor die paar maanden van de wereldtentoonstelling, mais pour toujours, pour la République.

Palais_de_l'Industrie_-_Édouard_Baldus

Palais de l’Industrie
Het fenomeen van de wereldtentoonstelling dateert uit 1851. In dat jaar wordt in Londen de Great Exhibition of the Works of Industry of all Nations gehouden in het speciaal daarvoor ontworpen Crystal Palace, een gebouw dat volledig is opgetrokken uit gietijzer en glas. Het is in zeer korte tijd met geprefabriceerde onderdelen in elkaar gezet. Engeland toont zich hiermee prominent aan kop op het gebied van de industriële technologie. Uit de hele wereld is van alles bij elkaar gesleept om in dit wonderlijke gebouw te plaatsen, dat qua interieur een toonbeeld is van Victoriaanse cultuur.

Uiteraard kan Frankrijk dit gebeuren niet zomaar over zich heen laten gaan. In 1855 kondigt Keizer Napoleon III dan ook de Exposition Universelle aan. Net als Londen moet natuurlijk ook Parijs een ingenieus gebouw krijgen. Zo ontstaat het Palais de l’Industrie et des Beaux-Arts, tussen de Champs-Élysées en de Seine.

Na de expo van 1855 wordt het paleis gebruikt als tentoonstellingsruimte voor de jaarlijkse Salons, waar kunstenaars hun werken exposeren. Ook doet het dienst tijdens de wereldtentoonstellingen van 1867, 1878 en 1889, om vervolgens in 1897 te worden afgebroken. Parijs treft op dat moment de voorbereidingen voor de Exposition Universelle de 1900 en het Palais de l’Industrie moet plaatsmaken voor het Grand Palais en het Petit Palais, de pronkstukken van 1900 die tot op de dag van vandaag overeind staan.

1889_vuegeneral

1889
De wereldtentoonstelling van 1889 is een spectaculaire gebeurtenis en niet alleen vanwege de Eiffeltoren. Van 6 mei tot 31 oktober kunnen bezoekers kennismaken met de culturele en technologische hoogstandjes van West-Europa.  Ook het koloniale bezit van de diverse landen wordt tentoongesteld. Er is dan nog geen televisie en geen massatoerisme. Om de wereld te ontdekken moet je dus naar de wereldtentoonstelling, waar de wereld vanuit westers perspectief naar het publiek wordt gebracht.

Het zijn echter niet alleen objecten die geëxposeerd werden, ook dieren en mensen werden uitgestald. Op een terrein van ruim 50 hectaren – het Champ de Mars, het Trocadéro en de Esplanade des Invalides – kan het publiek in 1889 genieten van een industriële en exotische wereld die gepresenteerd wordt in diverse paviljoens en en-plein-air.

zoo-humain-jardin-dacclimation-paris-1895

Village Nègre
Om de bezoekers van het terrein bij het Champ de Mars naar de Esplanade des Invalides te brengen, rijdt er een speciale trein, ontworpen door de firma Decauville. Deze spoorlijn beslaat zo’n drie kilometer en is een favoriete attractie bij het publiek. Iedereen wil wel een ritje maken met dat ijzeren monster.

De trein is echter niet de topattractie van 1889. Dat is de Village Nègre aan de voet van de Eiffeltoren, waar meer dan 400 indigènes (inboorlingen) uit Frans koloniaal gebied worden geëxposeerd in een soort etnologische dierentuin. Deze mensen, die als sauvages (wilde dieren) worden beschouwd, bevinden zich achter hekken en kunnen bekeken en gevoerd worden. Hun handelingen worden gadegeslagen en vaak ook bespot.

Les Zoos Humains ontstaan in de jaren zeventig van de 19e eeuw. Ze zijn niet alleen bedoeld als entertainment, maar vooral om de superioriteit van het blanke ras te onderstrepen. Wetenschappelijk antropologisch onderzoek moet aantonen dat er een hiërarchie van menselijke rassen bestaat, waarbij het blanke ras de ranglijst aanvoert. Om het publiek van deze gedachte te doordringen, gaan Les Zoos Humains deel uitmaken van de wereldtentoonstellingen. Parijs is zeker niet de enige stad waar het imperialisme zich laat gelden, al is de Expo van 1889 wel een van de eerste met een Village Nègre. Hoewel we deze menselijke dierentuinen in de context van die tijd moeten plaatsen, krijgen de woorden liberté, égalité et fraternité hier een wrange bijsmaak.

galerie des machines 1889

Galerie des Machines
Het indrukwekkendste paviljoen in 1889 is zonder twijfel de Galerie des Machines. Met een spanwijdte van ruim 110 meter en een hoogte van meer dan 43 meter is het niet te missen op het uiteinde van het Champ de Mars. Het gebouw bevindt zich vlak voor de École Militaire en is uit gietijzer en glas vervaardigd. Een dergelijke spanwijdte is volledig nieuw en overtreft alle voorgaande glas-ijzerconstructies. Net als bij de Eiffeltoren wordt ook voor de Galerie des Machines gebruik gemaakt van een techniek die tot dan toe uitsluitend is gebruikt voor bruggen en treinstations. Frankrijk triomfeert, niet alleen als republiek, maar ook in de industriële techniek. Schrijver Joris- Karl Huysmans is zo onder de indruk van de Galerie des Machines dat hij het gebouw ‘La Cathédrale du XIXe Siècle’ noemt. Tot de sloop in 1909 is het pronkstuk het grootste metalen gebouw in Europa. Het wordt uiteindelijk afgebroken omdat de stad Parijs weer vrij zicht over het Champ de Mars wil hebben.

palais beaux arts 1889

Palais des Beaux-Arts
Andere gebouwen die in 1889 indruk maken zijn het Palais des Beaux-Arts en het Palais des Arts Libéraux, allebei ontworpen door Jean-Camille Fromigé. Vanuit de Eiffeltoren gezien, zijn deze tweelinggebouwen parallel aan elkaar geplaatst richting de industriehallen. Monumentale trappen leiden naar de ingangen onder de koepels. Deze veelkleurige koepels zijn een prachtige uitdrukking van de op hand zijnde art nouveau stijl; meer dan zeshonderd geglazuurde tegels in blauw en topaastinten sieren elke koepel. Ook deze paleizen verdwijnen in 1897 om plaats te maken voor bouwwerken van de wereldtentoonstelling van 1900.

porte de la place de la concorde 1900

Porte de la Place de la Concorde
Paviljoens zoals de Galerie des Machines en de kunstpaleizen hebben de weg vrijgemaakt voor een nieuwe kunst, die zich in de daaropvolgende jaren steeds duidelijker manifesteert en tijdens de wereldtentoonstelling van 1900 een voldongen feit wordt. In 1895 opent de Franse kunsthandelaar Siegfried Bing zijn Gallerie de l’Art Nouveau en op de Expo van 1900 heeft hij een eigen paviljoen. Al snel wordt duidelijk dat nagenoeg alle Europese landen een variant van de art nouveau tonen, die zij jugendstil, modern style, modernismo of secession noemen. In de architectuur heeft men gebroken met historiserende neostijlen en qua decoratie is men niet schuw van weelderigheid en kleur. Een zeer fraai voorbeeld hiervan is de Porte de la Place de la Concorde. Deze belle époque-toegangspoort leidt via een park langs de Seine naar de Nouvelle Avenue, waar twee schitterende paleizen als onbetwiste hoogstandjes tegenover elkaar zijn geplaatst: het Grand Palais en het Petit Palais.

Paris_Exposition_moving_sidewalk,_Paris,_France,_1900_-_S03_06_01_014_image_9893

Lopende banden
De wereldtentoonstelling van 1900 wordt gehouden van 14 april tot 12 november en trekt ruim 50 miljoen bezoekers! Voor Parijs is het de vijfde keer binnen een halve eeuw dat er een Exposition Universelle wordt georganiseerd. De Expo moest alle vorige edities overtreffen en is zonder meer het hoogtepunt van het fin de siècle. Enerzijds blikt men terug naar het verleden – vooral naar de verworvenheden van de 19e eeuw – anderzijds kijkt men vooruit naar de ontwikkelingen en vernieuwingen van de twintigste eeuw. Wereldtentoonstellingen zijn inmiddels een ware pelgrimage van de moderne tijd geworden.

Net als in 1889 worden de bezoekers van de ene kant van de expo naar de andere kant vervoerd. Graag wil men tijdens de opening op 14 april gebruik maken van het nieuwste vervoersmiddel, de metro, maar dat lukt helaas niet. Pas op 19 juli 1900 rijden de eerste wagons tussen Porte Vincennes en Porte Maillot. Wel op tijd gereed is het driedubbele trottoir tussen de het Champ de Mars en de Esplanade des Invalides. Hierop kan men uiteraard lopen, maar ook op één van de twee ingevoegde lopende banden stappen die, uiteraard in verschillende snelheden, de mensen over het terrein vervoeren. Deze lopende banden zijn, evenals de roltrap, een van de nieuwste technologische uitvindingen.

1900-vue-generale

 Le Vieux Paris
Terwijl de bezoekers zich over de trottoirs voortbewegen, passeren zij Le Vieux Paris. In 1852 had Keizer Napoleon III namelijk opdracht gegeven aan baron Haussmann om het oude, middeleeuwse Parijs om te vormen tot een nieuwe, moderne stad. Alles werd op z’n kop gezet, geen wijk bleef onaangetast. Vele huizen werden onteigend en gesloopt om plaats te maken voor brede avenues en grote boulevards, waarlangs statige gebouwen verrezen. Ook kwamen er nieuwe tuinen en parken.

Door Haussmanns rigoureuze aanpassingen is Parijs anno 1900 een stad die la vie moderne uitademt, een ware metropool. De kronkelige middeleeuwse straatjes met de vakwerkhuizen zijn voorgoed verleden tijd, behalve tijdens de wereldtentoonstelling, waar men nog één keer terugblikt op Le Vieux Paris: vakwerkhuizen keren voor de duur van enkele maanden terug en figuranten lopen rond in middeleeuwse kostuums.

Het contrast tussen het oude Parijs en de belle époque-gebouwen is echter groot. Een van de fraaiste decoraties op de Expo is het Château de l’Eau, een droomdecor dat zich voor het Palais de l’Électricité bevindt, op het Champ de Mars. Het water stroomt vanuit een drie meter hoge grot naar beneden in een bassin van bijna tien meter breed, waar diverse fonteinen het weer in de lucht sproeien: l’Humanité conduite par le Progrès, s’avançant vers l’Avenir.

Le_Chateau_d'eau_and_plaza,_Exposition_Universal,_1900,_Paris,_France

 Het einde van de belle époque
De toekomstgedachte heerst bij velen die naar de Exposition Universelle van 1900 komen. Zo ook bij kunstenaars als beeldhouwer Auguste Rodin. De Franse staat heeft hem niet uitgenodigd om tijdens de Expo in het Grand Palais te exposeren. Met steun van vrienden en kennissen laat hij daarom een eigen paviljoen bouwen op de Place de l’Alma, waar hij een overzichtstentoonstelling van zijn eigen werken presenteert: tekeningen, sculpturen en foto’s. Door de grote internationale toeloop op de wereldtentoonstellingen is dit hét moment waarop Rodin bij het grote publiek bekend raakt. Vooral rijke Amerikaanse verzamelaars sluiten hem in hun armen en zorgen ervoor dat hij wereldfaam verwerft.

Na afloop van de wereldtentoonstelling laat Rodin het Pavillon de l’Alma verplaatsen naar de tuin van zijn huis in Meudon, de Villa des Brillantes, om het als atelier te kunnen gebruiken. In 1925 wordt het afgebroken. Rodin is dan reeds overleden en de belle époque is ook passé. De art déco heeft haar intrede gedaan en Parijs is veranderd in La Cité des Années Folles …

© 2014 Karin Haanappel

Interview Karin Haanappel in tijdschrift Historica oktober 2013

Eind augustus 2013 werd ik gebeld door de hoofdredacteur van het tijdschrift Historica, voor gender/vrouwengeschiedenis, Kirsten Zimmerman. U hebt het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis opgericht, ´Herstory of Art´ geschreven en werkt momenteel aan een biografie over Camille Claudel. Ik zou graag een interview met u hebben over uw onderzoeken en uw genderspecifieke kijk op kunstgeschiedenis. Twee weken later troffen wij elkaar in de Verkadefabriek in Den Bosch en hadden een zeer interessante en gezellige ochtend samen. De tijd vloog om terwijl we honderduit spraken over vrouwen(kunst)geschiedenis.

Historica 2013-Camille Claudel-Karin Haanappel

In het oktobernummer van Historica verscheen het interview (dat ik hieronder zal citeren). Dit nummer, dat nog veel meer interessante artikelen bevat, is te bestellen via de website www.gendergeschiedenis.nl.

Genderview oktober 2013: Karin Haanappel
In deze rubriek brengt Historica een onderzoeker voor het voetlicht die vanuit haar of zijn discipline reflecteert over de (mogelijke) meerwaarde om te werken vanuit een genderperspectief. Deze keer komt Karin Haanappel (1968) aan het woord. Karin Haanappel is kunsthistorica, afgestudeerd aan de Universiteit Utrecht op het werk van de Franse beeldhouwster Camille Claudel. Daar rondde ze ook een studie algemene letteren af. Haanappel richtte in1996 Haanappel Art International – Bureau voor Cultuureducatie op en in 2009 het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis. Bovendien publiceerde ze twee boeken, Het Parijs van Isis (2010) en Herstory of Art (2012). Naast onderzoek doen en schrijven geeft ze cursussen en lezingen door heel Nederland. Momenteel werkt ze aan een boek over het leven en oeuvre van Camille Claudel dat in december 2014 moet verschijnen.

Karin Haanappel-Historica 2013  Foto Karin Haanappel door Kirsten Zimmerman

 

Waarom richt je je op vrouwen in de kunstgeschiedenis?
Ik begon in 1989 met de studie algemene letteren in Utrecht. Ik volgde vakken bij allerlei letterenrichtingen, waaronder ook kunstgeschiedenis. Ik raakte zo enthousiast van het boek The story of Art van Ernst Gombrich dat ik besloot naast algemene letteren ook kunstgeschiedenis te doen. Het viel me toen al op dat de universiteit alleen het werk van mannelijke kunstenaars bespreekt. En ik vroeg me af waar de kunstenaressen in het curriculum te vinden waren.
Ik besloot op een vrouw af te studeren en zo kwam ik met Camille Claudel in aanraking. Rodin, haar minnaar, wordt in de colleges uitvoerig besproken, maar over Claudel wordt met geen woord gerept. Toen ik mijn afstudeeronderwerp in Utrecht voorlegde, waren de reacties van mannelijke docenten: “Wat moet je met die vrouw? Doe iets leuks met Rodin!”. Uiteindelijk heb ik een vrouwelijke promotor gevonden, Inemie Gerards-Nelissen, die ook aan vrouwenstudies was verbonden. Zij was wel enthousiast.
Nadat ik mijn diploma had behaald, heb ik de lerarenopleiding gevolgd. Ook als docent heb ik altijd vrouwen in het lesmateriaal proberen te stoppen. Door mijn kennis van Camille Claudel mocht ik in 2001 meewerken aan een tentoonstelling die aan haar was gewijd in het Singer Museum in Laren. Ik gaf daar ook lezingen en schreef artikelen voor het bulletin en de cd.
In 2009 constateerde ik dat ik al zolang afgestudeerd was en dat er in Nederland nog steeds geen enkel boek over vrouwelijke kunstenaars bestond. Er was af en toe een tentoonstelling, zoals die van Judith Leyster in het Frans Halsmuseum, maar geen echt Nederlands overzicht. Daarom richtte ik het Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis op, dat door middel van onderzoek en onderwijs vrouwelijke kunstenaars een (grotere) plaats wil geven in de canon van de kunstgeschiedenis. En ik besloot een boek te schrijven gebaseerd op gefundeerd onderzoek. Dat werd Herstory of Art dat in 2012 verscheen.

Herstory of Art by Karin Haanappel

Wat maakt Herstory of Art anders dan andere overzichtswerken, afgezien van de focus op vrouwen?
Herstory gaat niet uit van de traditionele canon. De studie kunstgeschiedenis en de canon, gericht op mannelijke kunstenaars, zijn rond 1850 ontstaan en die zien de klassieke oudheid, een patriarchale samenleving, als bakermat van onze beschaving. Mijn mening is dat onze wortels veel verder teruggaan, namelijk tot de zogenaamd prehistorische culturen, zoals de Donaucultuur op de Balkan. Er zijn bewijzen dat die samenlevingen egalitaire, Oud-Europese landbouwculturen waren, totdat ze onder de voet werden gelopen door Indo-Europese dominante, patriarchale herdersculturen. Met egalitair bedoel ik niet alleen dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, maar ook dat iedereen vanuit eigen potentieel een bijdrage levert aan de samenleving. Dat lijkt mij een veel beter voorbeeld voor vandaag de dag dan de klassieke oudheid.
Wat ik niet begrijp is dat Nederlandse universiteiten nog steeds vasthouden aan een traditie uit 1850, die ook de man-vrouwverhoudingen uit die tijd weerspiegelt, en aan een canon die niet-westerse kunst buitensluit als primitief. Een kunstenaar is in hun ogen mannelijk, blank, westers en meestal overleden. Er zijn wel veel vrouwelijke kunstenaars, maar die worden gewoon van tafel geveegd, omdat ze niet in het beeld passen.
Aan de Universiteit Leiden heb je nu World Art Studies dat kunst mondiaal bekijkt en niet alleen met westerse ogen. Dat is zeker een vooruitgang, maar een echt op vrouwen gericht vak is er niet. Wel heeft de Vrije Universiteit Herstory of Art opgenomen in haar programma. En ook veel middelbare scholen gaan het boek bestuderen bij het vak culturele en kunstzinnige vorming. De belangstelling is er dus wel, al breidt die zich slechts langzaam uit.

Waar komt dit engagement vandaan? Was je van jongs af aan al geïnteresseerd in gender?
Mijn ouders en ik woonden in Limburg toen mijn oudste broer werd geboren. Ik was vier jaar oud. Ik weet nog heel goed dat de pastoor op bezoek kwam om ons te feliciteren. Hij ging aan mij voorbij en zei tegen mijn moeder: “Mevrouw, u hebt de mooiste daad van uw hele leven verricht: u hebt een zoon op de wereld gezet.” En dan sta je daar als vierjarige, met de vraag waarom dat broertje zo belangrijk is. De pastoor legde uit: “Een zoon is belangrijk, want de Here Jezus was ook een zoon van God.” Toen antwoordde ik na even nadenken: “Als Jezus nou een meisje was geweest, dan was ik ook belangrijk?” Ik bracht de pastoor in verwarring, maar uiteindelijk zei hij: “Jezus was geen meisje, hij was een jongen.” Met andere woorden, ophouden met moeilijke vragen stellen. Maar bij mij was er iets geraakt. Vanaf dat moment heb ik de dingen altijd bekeken vanuit het perspectief van de man-vrouwverhouding.

Noem je jezelf een feminist?
Ik moet vaak uitleggen waarom ik Herstory of Art heb geschreven en me met vrouwen en kunstgeschiedenis bezighoud. Ik wil het gelijk trekken: er is plaats voor mannen én voor vrouwen. Ik wil mannen niet het onderspit laten delven. Mijn doel is om te laten zien dat kunst niet aan geslacht is gebonden, dat mannen én vrouwen door de eeuwen heen kunst hebben gecreëerd. Ik kom dus wel op voor de vrouw, maar niet om haar voor te trekken op mannen. Dat kun je feminisme noemen.

Zijn man en vrouw verschillend en in welke zin?
Ja, dat denk ik wel, ze zijn zowel fysiek als psychisch anders. Naar mijn idee vullen ze elkaar goed aan. Met het gevaar om te generaliseren denk ik dat mannen daadkrachtiger zijn. Ze duiken ergens bovenop om iets te bereiken. Vrouwen bewaren meer het overzicht en zijn in staat dingen met elkaar te verbinden. Samen ‘stroomt’ het. Ik ben een aanhanger van het gedachtegoed van Jung: ieder individu heeft een mannelijke en een vrouwelijke kant, waarbij bij een man de mannelijkheid meer op de voorgrond staat en bij de vrouw haar vrouwelijkheid. Als die twee kanten samenwerken en in balans zijn gaat het goed. Dan is er geen hiërarchie en hokjescultuur meer, zoals bij de egalitaire culturen in het neolithische tijdperk.

Wat was er zo bijzonder aan die egalitaire culturen? Waaruit bestond die gelijkheid dan precies?
Neem bijvoorbeeld de Donaucultuur (5000 -3500 voor Christus) in het huidige Oost-Europa. Voor de komst van de patriarchale traditie bestonden daar al grootschalige nederzettingen zonder verdedigingsmuren, zonder paleizen, zonder koningsgraven vol wapens en zonder kunstwerken met oorlogsscènes. Dat was een landbouw samenleving op een hoog niveau. Ze hadden alles: taal, kunst, schrift en economische welvaart. Zo ligt de oorsprong van ons schrift niet in Mesopotamië rond 3000 voor Christus, maar enkele duizenden jaren eerder, in deze Donaucultuur. De cultuur was homogeen, er waren geen machtsverschillen, en ze was gericht op het voortbestaan van de samenleving. De enorme hoeveelheid vrouwelijke kunst duidt op een verering van een allesomvattende godin. Bij beeldjes uit de Roemeense Cucutenicultuur (ca. 4200 voor Christus) worden man en vrouw even groot weergegeven. Alles was in balans. Iedereen had zijn eigen potentie en kwam daarmee naar voren. Dat hield een hele cultuur overeind, zonder concurrentie. Daar kwam een einde aan toen de dominante herdersculturen opkwamen.

Je bestudeert ook de positie van vrouwen binnen de theologie, want in 2010 schreef je het boek Het Parijs van Isis.
Waar nu in Europa een kerk staat kan een tempel voor Isis hebben gestaan. Toen de Grieken via Alexander de Grote in Egypte met de godin Au Set in aanraking kwamen, werd ze ‘Isis’ gedoopt, wat een hellenistische naam was. Alexander de Grote had belangstelling voor Isis, want als farao van Egypte zou hij Isis’ zoon zijn. En wie stierf, werd automatisch Osiris, haar partner. Uit de smeltkroes van de Griekse en Egyptische cultuur ontstond de hellenistische Isis. En zij werd weer overgenomen door de Romeinen bij de annexatie van Griekenland. Ook voor de Romeinen werd Isis een belangrijke figuur. Ze was populair onder soldaten die haar aanbaden, omdat ze dan nooit dood zouden gaan. En bij vrouwen was Isis geliefd als moedergodin. Haar cultus verspreidde zich door heel Europa, overal stonden tempels voor Isis, ook in Nederland en Engeland én op de plaats die later Parijs werd. Dat was in de tweede eeuw na Christus haar grootste cultusplek. Waarom weten wij dat niet meer? Omdat het christendom staatsgodsdienst werd en alle wortels van deze Isisverering heeft afgesneden. Maar je ziet dat uiteindelijk Maria, als moedergodin, veel aspecten van Isis naadloos overnam. En tempels van Isis zijn kerken geworden.

Zou je onderzoek aan de universiteit willen doen?
Bij mijn afstuderen zeiden ze in Utrecht dat Camille Claudel een onderwerp was waarop ik moest gaan promoveren, maar op dat moment wilde ik eerst andere dingen doen, zoals lesgeven op middelbare scholen. En misschien dat ik toch een keer promoveer, want het is belangrijk onderzoek. Maar ik wil heel graag dat mijn visie ook naar buiten komt en dat ik me niet hoef te conformeren aan de visie van een universiteit. Ook met het schrijven van Herstory of Art ben ik tegen die hardnekkige traditie die heerst binnen de universiteit aangelopen, dat ze niet verder durven of willen kijken. En ik wil dat mijn boeken toegankelijk zijn. Geen dikke pillen, maar boeken die iedereen bij bol.com kan bestellen. Ik vind het belangrijk dat mijn verhaal niet in de ivoren toren blijft, maar het veld ingaat. Daarom maak ik ook gebruik van Facebook, Twitter en blogs. Medewetenschappers en studenten blijven toch een selectieve groep. Mijn boeken moeten begrijpelijk zijn voor iedereen, ik wil niet blijven hangen in vakjargon.

zelfportret van Sofonisba Anguissola (1556)  Zelfportret Sofonisba Anguissola (1556)

 

Voor het kunsthistorisch tijdschrift van de Universiteit Utrecht heb je een artikel geschreven over de Italiaanse renaissanceschilder en kunsthistoricus Vasari en zijn visie op vrouwelijke kunstenaars.
De schilder Vasari was een van de eerste kunsthistorici, doordat hij het boek Le Vite schreef, met biografieën van kunstschilders uit zijn tijd. Vooral van Michelangelo geeft hij hoog op. Nu is het interessante dat er in de Nederlandse vertaling geen vrouwen staan, in tegenstelling tot de Engelse, Franse en Duitse vertaling. Ik heb contact opgenomen met de uitgeverij van de Nederlandse vertaling uit 1996 en kreeg als antwoord: “Maar mevrouwtje, als er geen vrouwelijke kunstenaars zijn, dan kan Vasari daar ook niet over schrijven!” Daar gingen mijn haren van overeind staan en ik schreef terug: “Nou meneertje, lees het origineel maar eens! Het hele origineel, want daar staat het gewoon in”. Toen heb ik niks meer gehoord. Ook de redactie van het tijdschrift dacht dat Vasari niks over vrouwen had geschreven. De studenten vonden het fascinerend. Ongelooflijk dat dit in 2012 nog steeds niet wordt uitgedragen in Utrecht.
Voor Herstory of Art heb ik zelf een stuk van Vasari vertaald over de Italiaanse Sofonisba Anguissola (circa 1535-1625). Deze bijzondere vrouw was in haar tijd heel bekend. Ze was van adel, kreeg les van bekende, mannelijke portretschilders en was al op jonge leeftijd beroemd. Ze was zo’n fenomeen dat de vermaarde Anthonie van Dyck uit Antwerpen haar kende en naar haar is toegegaan, want als zij zijn werk goedkeurde, dan kon hij doorgaan met zijn carrière. De afloop van het verhaal weten we: hij werd hofschilder van de Britse koning. In Nederland is Anguissola niet zo bekend, maar in Italië kennen ze haar wel. Daar is vier jaar geleden nog een roman over haar verschenen, ‘De hand van Sofonisba’. Binnen de vrouwenkunstgeschiedenis is zij een fenomeen, binnen de reguliere kunstgeschiedenis is ze helaas nog niet bekend.

En dan is er je favoriete kunstenares, Camille Claudel. Hoe ben je haar op het spoor gekomen?
In 1993 zocht ik een afstudeeronderwerp en daarbij ging ik uit van drie criteria: het moest een negentiende-eeuws onderwerp zijn, iets met Parijs te maken hebben, omdat ik dat een geweldige stad vind, en het moest een vrouwelijke kunstenaar zijn. Met mijn moeder ben ik toen een week naar Parijs gegaan. We bezochten de grote musea en uiteindelijk besloten we het Musée Rodin te verkennen, want ik was zo nieuwsgierig naar zijn sculpturen. Tot mijn verbazing belandde ik in een zaal met alleen maar werk van ene Camille Claudel. Aanvankelijk dacht ik nog dat het een man was, want Camille is in het Frans een onzijdige naam. Haar kunst kwam zo diep bij mij binnen dat ik aanvoelde dat dit geen Rodin was. Toen de kunstenaar een vrouw bleek te zijn, wist ik dat ik mijn onderwerp had gevonden. Toevallig stuitte ik vlak na dat museumbezoek in een Parijs boekwinkeltje op het boek Dossier Camille Claudel, een werk uit 1987 van Jacques Cassar dat zijn onderzoek naar de kunstenares documenteerde.
Claudel was eind negentiende eeuw een beroemdheid in Parijs. In 1882 had ze Rodin leren kennen en was ze in zijn atelier gaan werken. Geruime tijd werkten ze samen, wat de carrière van Rodin ten goede kwam. Na tien jaar besloot Claudel om Rodins atelier te verlaten en zelfstandig door te gaan. Ze wilde haar eigen werk maken en was daar succesvol in: haar mooiste beelden zijn uit die tijd. In 1900 verbrak ze alle contact met Rodin. Op de Wereldtentoonstelling had hij een eigen paviljoen en bij hun gezamenlijk werk stond alleen de naam van Rodin vermeld. Voor Claudel was dit een klap in haar gezicht en ze wilde niets meer met hem te maken hebben. Ze ging zich steeds meer isoleren van de buitenwereld, wat haar gezondheid niet ten goede kwam, en in 1913 werd zij opgenomen in een inrichting: de diagnose was paranoia.
In 1915 verklaarden de dokters haar genezen, maar haar familie, en dan in het bijzonder haar broer Paul, liet haar daar zitten, dertig jaar lang, tot haar dood in 1943. Paul was na de dood van vader Claudel immers de enige man in het gezin en had dus zeggenschap over het verblijf van zijn zus in de inrichting. Het gesticht kon haar ook niet uitzetten, omdat er een wet van kracht was die bepaalde dat wanneer iemand vrijwillig door zijn familie was opgenomen, de familie ook verantwoordelijk was om de patiënt terug te nemen. En dat deed Paul dus niet.
Claudel heeft in die inrichting geen werken meer gemaakt. Ze vond dat haar familie haar opsloot, omdat ze dingen had gedaan die niet konden, zoals de affaire met Rodin, met wie ze nooit is getrouwd. Het is zelfs aannemelijk dat Camille meerdere keren zwanger is geweest van Rodin, wat een nog groter schandaal was. En daar zijn misschien ook kinderen uit voortgekomen, wat ik nog onderzoek. Dat haar familieleden haar daar wilden laten werken, zat haar hoog en bleef ze obstinaat weigeren. Dat toont aan over welke mentale kracht ze beschikte. Claudel ging in tegen de negentiende-eeuwse conventies, want een vrouw moest trouwen en kinderen krijgen. Haar zus heeft tegen haar gezegd: “Wat doe je toch moeilijk. Doe toch gewoon wat van ons vrouwen wordt verwacht.”

Wat is volgens jou de rol van Paul Claudel in het leven en werk van zijn zus?
Paul is naar mijn idee een sleutelfiguur in haar leven en niet in goede zin. Er wordt vaak gedacht dat Camille Claudel een zenuwinzinking kreeg, doordat ze zonder Rodin in een gat viel. Dat is nu juist niet het geval, want nadat zij is weggegaan bij Rodin in 1893 ontstonden haar meesterwerken. Ik denk eerder dat haar broer een grote rol in de paranoia heeft gespeeld: hij bevestigde Claudel in het gevoel dat Rodin haar werk van haar afpakte. Hij zei dat ze voor zichzelf moest opkomen, maar dat ze dat niet kon. Zo ondermijnde hij haar. En je ziet het ook in de medische dossiers uit de inrichting: telkens als Paul op bezoek was geweest, slechts elf keer in dertig jaar, had Claudel een terugval in die paranoia. Hij dreef haar zelfs zover dat ze ervan overtuigd was dat Rodin postuum – hij overleed al in 1917 – haar beelden wou bemachtigen. Het leek alsof Paul haar dingen influisterde. Maar iemand die zo dichtbij is als je broer, aan diens oordeel hecht je waarde.
Paul en Camille zijn samen opgegroeid, ze waren ontzettend creatief, elkaar inspirerend in een situatie waarin een moeder grotendeels afwezig was. Het ging goed, totdat de familie naar de stad verhuisde en Paul naar het lyceum moest. Hij was heel jaloers op Camilles vrijheid; vrouwen mochten immers niet naar het lyceum. Claudel kon excelleren in haar beeldhouwkunst, terwijl hij kort werd gehouden. In die wrok van ‘zij wel en ik niet’, bleef hij hangen. Dat kom je ook in zijn boeken tegen: de jongen die vecht voor zijn vrijheid en die ziet dat vrouwen die wel kregen en hij niet. Soms heb ik het idee dat hij ziek was en niet zijn zus. Dat heeft hij zelf trouwens ook gezegd.
Paul Claudel is een gevierd schrijver geworden in Frankrijk. Op het moment dat zijn zus werd opgesloten, trad hij naar buiten. Paul schrijft ook in zijn dagboek: “Zij is weg, nu is het tijd voor mij”. Zijn carrière kreeg toen een boost. Als diplomaat en ambassadeur is hij overal geweest: Brazilië, China, Boston, München. Zijn passie voor schrijven ontwikkelde hij verder. En steeds meer trad zijn obsessie voor het katholieke geloof, waartoe hij zich had bekeerd, naar de voorgrond, zowel in zijn literaire oeuvre als in zijn politieke carrière. Zijn zus was de zondige Maria Magdalena, die hij had opgesloten. Ook vergeleek hij zijn relatie met Camille met de wrede band tussen Cathy en Heathcliff uit Wuthering Heights.
Paul Claudel heeft een goede reputatie waar bijna niet aan te tornen valt. Hij is getrouwd geweest, heeft kinderen gehad en die hebben heel lang niet geweten van die tante in de inrichting. Maar op het moment dat Paul overleed, gingen ze door al zijn spullen, papieren en documenten en toen kwamen ze natuurlijk heel veel tegen. Er is een soort scheuring in die familie ontstaan: sommige kinderen en kleinkinderen schaarden zich achter Camille, anderen namen het op voor hun vader of grootvader, ondanks zijn beslissingen in verband met Camille. Die verwijdering in de Claudelfamilie zorgt er ook nu nog voor dat wat aan informatie naar buiten komt, niet altijd objectief is. Daarom probeer ik in mijn onderzoek ook zoveel mogelijk originele stukken te bemachtigen en te lezen, bijvoorbeeld de medische dossiers uit de inrichting. Ook bezoek ik alle plaatsen waar Claudel heeft gewoond en gewerkt.
Zo ben ik er door eigen onderzoek achtergekomen waarom Camilles graf niet meer bestaat: dat heeft de familie Claudel, Paul dus, laten ruimen. Zijn moeder en de andere zus waren immers al overleden. De gangbare mening is dat het graf is verdwenen om ruimte te maken voor nieuwe graven, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ik ben naar het kerkhof in Montfavet gegaan en heb daar met beheerders gesproken. Zij verzekerden mij dat er genoeg ruimte was en dat er zelfs nog graven uit de achttiende eeuw overeind stonden. En inderdaad, oudere graven en de graven van andere gegoede patiënten uit het gesticht zijn er nog, maar die van Camille Claudel niet meer. Dat is in 1951 vernietigd, nadat in datzelfde jaar haar allereerste posthume tentoonstelling had plaatsgevonden. Haar graf had bezoekers getrokken en dat mocht blijkbaar niet. Mais le temps remettra tout en place.

© Bernd Haanappel. oorspronkelijke foto Carjat, Camille Claudel, 1886.   Camille Claudel (1886)

 

Hoe verging het haar bekendheid?
In 1943 was Claudel totaal niet meer bekend in Frankrijk, ondanks het feit dat Rodin nog een zaal in zijn museum aan haar had gewijd, want hij was furieus dat zijn meest begaafde leerling was opgesloten. In 1951 was werk van Claudel te zien op een tentoonstelling, maar dat had geen grote gevolgen voor haar bekendheid. Pas in de jaren zeventig heeft Jacques Cassar, literatuurprofessor aan de Sorbonne, haar herondekt. Hij was in eerste instantie geïnteresseerd in broer Paul, maar kwam in zijn onderzoek naar hem Camille tegen. In de jaren tachtig kwam de publieke belangstelling op gang: Anne Delbée, bevriend met Cassar, schreef een roman over Camille Claudel, Une Femme, gepubliceerd in 1982, in 1987 verscheen Cassars boek en in 1988 kwam de film Camille Claudel van Bruno Nuytten uit over Claudels relatie met Rodin. Tentoonstellingen volgden, zoals die in het Singer in 2001, en er verschenen andere biografieën, een roman en een film die nu draait, Camille Claudel 1915. Ik vind dat er overwegend te veel aandacht voor haar dramatische leven is en te weinig voor haar oeuvre.

Wat zijn je toekomstige onderzoeksplannen, naast het voltooien van je boek over Camille Claudel?
Na het boek over Claudel, ga ik verder met Herstory of Modern Art (1850 tot 1940) en Herstory of Postmodern Art (vanaf 1945 tot nu). En zo zijn er nog wel meer projecten die me enorm fascineren. In het kader van het Parijs-Isisproject zou ik naar Rome willen om onder de Sint-Pietersbasiliek te kijken. Daar moet de tempel van een machtige godin hebben gestaan. Op mijn verlanglijstje staat ook nog om meer aandacht te vragen voor de egalitaire Donaucultuur. Ik zou graag op een toegankelijke manier zichtbaar maken hoe belangrijk die cultuur is geweest. Er is nog zoveel wat interessant is en wat daglicht verdient.

© 2013, Kirsten Zimmerman

Om het originele artikel te lezen, klik op deze link: Genderview met Karin Haanappel- Historica oktober 2013

 

Een gekleurd geschiedenisbeeld leidt tot onwetendheid

Uit het hoofdstuk ‘Egalitaire culturen, daar kunnen we wat van leren!’ van Karin Haanappel in het boek ‘Aardevrouwen spreken’.Hamangia cultuur, 5000 BC,  @herstoryofart

Traditiegetrouw leren wij dat de bakermat van onze beschaving is gelegen in de klassieke oudheid. De prehistorie (de tijd voordat er geschreven bronnen waren) is in de beleving van velen primitief en ongeciviliseerd en daarmee niet de moeite waard voor nader onderzoek. Deze beperkte benadering van het verleden is helaas nog steeds in zwang. Hierdoor ontstaat er niet alleen een hiaat in de geschiedenisoverdracht, ook de kennis van egalitaire culturen gaat volledig verloren. In de 19e eeuw, wanneer de historische wetenschappen ontstaan, wordt het startpunt van de geschiedenis bij de Grieken en de Romeinen gelegd en de westerse filosofie als toonaangevend beschouwd. De filosofen in het klassieke Athene legden natuurlijke verschillen tussen mannen en vrouwen uit in termen van hiërarchie en ongelijkwaardigheid, wat geleid heeft tot de opvatting dat vrouwen (bezieling, intuïtie, natuur) inferieur zijn aan mannen (geest, denken, cultuur). Deze opvatting is bepalend geworden voor de theoretische en politieke hegemonie van het westerse denken. Vanuit dat denken is er nauwelijks ruimte voor vrouwen en evenmin voor niet-westerse culturen. Al ruim twee eeuwen leidt deze visie ertoe dat de meeste archeologen en wetenschappers reconstructies van het verleden maken vanuit een mannelijk, verstandig denken. Een vrouwelijke of zelfs neutrale zienswijze wordt vaak meteen verworpen.

Door (kunst)geschiedenis lineair te beschouwen, wordt er een bepaalde volgorde of vooruitgang gecreëerd. Een hiërarchische blik zorgt bovendien voor succesverhalen van grote helden. Omdat de canon uitsluitend is gericht op het blanke, mannelijke Westen worden er geen vrouwelijke of niet-westerse equivalenten genoemd. Toen West-Europa vanaf de 16e eeuw grote delen van de wereld ging koloniseren, was het vanzelfsprekend om te denken dat de westerse mens superieur was aan de niet-westerse mens. Bovendien vond men dat de niet-westerse mens nog in een preklassiek en prechristelijk stadium verkeerde. Deze gedachte, die perfect aansloot op de hegemonie van het westerse denken, zette op elk gebied door en zorgde er ook voor dat de prehistorische wereld voor primitief werd aangezien. Door alleen al te spreken over westers en niet-westers wordt een hiërarchisch onderscheid gemaakt. Ironisch, als je bedenkt dat het begrip ‘westers’ mondiaal gezien slechts een fractie van het geheel is. Deze eenzijdige blik van (kunst)historici zal naar mijn idee niet verdwijnen zolang wij uitsluitend onze vaderlandse geschiedenis voorgeschoteld krijgen. Een geschiedenis van helden en overwinnaars, van oorlogen en rooftochten. Het is dit eenzijdige denken dat ook de mythe van het oerpatriarchaat in stand houdt. Maar als je deze mythe ontrafelt, ervaar je ineens een heel andere wereld waarvan ook vrouwen en andere culturen deel uitmaken. Het is interessant om te onderzoeken waar die mannelijke dominantie vandaan komt en intrigerend om te ontdekken dat achter de sluier van het patriarchaat egalitaire culturen schuilgaan, die overal in de wereld zijn (geweest) en schitterende kunstuitingen hebben (achtergelaten). Vanaf 3000 v. Chr. gaat de mannelijke zienswijze pas de boventoon voeren, hoewel niet overal en zeker niet gelijktijdig. In Europa en het Midden-Oosten is deze verandering goed merkbaar. Het schrift heeft bovendien een extra bijdrage geleverd aan de verspreiding van de mannelijke monotheïstische religies die kenmerkend zijn voor de patriarchale levensvisie. Onze historie (de tijd van de geschreven bronnen) is dus met recht his story en er wordt zelfs al het mogelijke gedaan om vrouwelijke initiatieven om te buigen naar mannelijke ontdekkingen.

de donau cultuur

Meer informatie: www.oudeuropa.wordpress.com

Herstory of Art (2012): www.herstoryofart.wordpress.com
Aardevrouwen spreken (2012) : www.aardevrouwenspreken.wordpress.com

Aardevrouwen spreken
Uitgever: A3 boeken
ISBN: 978 90 77408 99 5
Prijs: € 17,50 Bestellen? Klik hier.

Mijn recensie van de film Camille Claudel 1915

Ik herinner me nog heel goed dat we op een ochtend in augustus 2012 het kleine gebouwtje binnenliepen van l’Office de Tourisme Fère-en-Tardenois. Een vriendelijke dame verwelkomde ons en toen ik vertelde over mijn passie voor Camille Claudel begon ze te stralen: “Un livre en hollandais de Camille Claudel, c’est fantastique”. Ook zij had haar hart verloren aan deze geniale beeldhouwster en liet me van alles zien. Opeens riep ze uit “weet je al dat er een film uitkomt over Camille Claudel, een nieuwe film met Juliette Binoche in de hoofdrol. Juliette is zelf naar regisseur Bruno Dumont gestapt en heeft gevraagd een film met haar te maken, het staat sinds deze week in alle Franse kranten. De film zal uitkomen in 2013, precies 100 jaar na haar opsluiting.”  Nog dezelfde middag heb ik het internet afgestruind naar meer informatie. Het enige wat ik, buiten de krantenartikelen, kon vinden, was de Franse trailer. Het zou nog zeker een jaar duren voordat deze film in de Nederlandse bioscopen te zien zou zijn. En nu, begin oktober 2013, is het dan zover.

Lees verder op: http://camilleclaudelstatuaire.wordpress.com/2013/10/02/de-film-camille-claudel-1915-door-karin-haanappel/

150 jaar Camille Claudel